Ingrijpen van de Ondernemingskamer bij OCI

Dit is de eerste blog in de nieuwe promovendiblogreeks van het Maastrichts Onderzoekscentrum voor Samenleving en Recht (MOSaR).

Op Chemelot, een van de grootste chemieclusters in Europa, rommelt het al enige tijd. Er zijn grote zorgen over de gezondheid van omwonenden en over de banen van werknemers die werkzaam zijn bij de op Chemelot gevestigde bedrijven. Daarnaast is een noodzakelijke verduurzamingsslag van de chemiesector in volle gang en met behulp van de provincie Limburg en de gemeente Sittard-Geleen wordt er veel geïnvesteerd. Bovendien maken de hoge energiekosten en extra CO2-heffingen de concurrentie binnen Europa lastig, en volgens de directeur van Chemelot zelfs ongelijk, waardoor de op Chemelot gevestigde ondernemingen het zwaar hebben.1 Met dreigende sluitingen en verplaatsingen van ondernemingen als gevolg, is het niet gek dat het er rommelt.

Op Chemelot bevindt zich onder andere de kunstmestfabrikant OCI Nitrogen, die onderdeel is van OCI N.V. (hierna: OCI). OCI is een van de Europese marktleiders als het gaat om het produceren van kunstmest. OCI is een beursgenoteerde vennootschap aan Euronext Amsterdam. De beurskoers van OCI is onder druk komen te staan sinds Rusland in 2022 Oekraïne is binnengevallen. De aandelen van OCI zijn als volgt verdeeld: de familie Sawiris bezit 9,1%, NNS Holding Ltd. (een Cypriotische investeringsmaatschappij waarvan een aantal familieleden begunstigden zijn) bezit 49,4% en tot slot de overige 41,5% van de aandelen is vrij verhandelbaar op de beurs, Euronext Amsterdam. En precies deze laatste groep aandeelhouders, in de procedure vertegenwoordigd door de Vereniging van Effectenbezitters (hierna: VEB), gaat in deze casus een grote rol spelen.

 

Overnameplannen

Na de voorgenomen beslissing van het bestuur van OCI om alle activa en passiva te verkopen aan het Egyptische bouwbedrijf Orascom Construction Plc. (hierna: Orascom) in ruil voor aandelen in Orascom, is de maat vol voor de minderheidsaandeelhouders welke zijn vertegenwoordigd door de VEB. Orascom is een vennootschap genoteerd aan de beurs in Abu Dhabi. De eerdergenoemde familie Sawiris houdt ongeveer 55% van de aandelen in Orascom. Door een verkoop aan Orascom is er sprake van een zogenoemde ‘related party transaction’. Een ‘related party transaction’ is een transactie tussen gelieerde vennootschappen. Bij een dergelijke transactie is extra zorgvuldigheid vereist gedurende de voorbereiding van de transactie. In dit geval is er sprake van een dergelijke transactie omdat de familie Sawiris in zowel OCI als Orascom het grootste aandelenbelang houdt. Bij een ‘related party transaction’ wordt aangenomen dat er door de OK onder omstandigheden een meer indringende toets is vereist. Zelfs wanneer de vennootschap zelf waarborgen heeft ingebouwd om tegenstrijdige belangen bij de besluitvorming te voorkomen.2

Als gevolg van de beoogde transactie zullen de aandeelhouders van OCI aandelen ontvangen in Orsacom. Deze aandelen in Orascom zijn genoteerd op de beurs van Abu Dhabi. Dit laatste is volgens de VEB nadelig, omdat onder meer twijfelachtig is of er een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bestaat voor een onafhankelijke en onpartijdige rechter bij misbruik van meerderheidsmacht.3 Misbruik kan optreden op het moment dat de groep meerderheidsaandeelhouders tegenover de minderheidsaandeelhouder komt te staan en eerstgenoemde de overwegende zeggenschap heeft.

 

De enquêteprocedure

Welke bescherming biedt het Nederlandse ondernemingsrecht voor deze groep minderheidsaandeelhouders? Voor deze vraag stond de Ondernemingskamer (hierna: OK) nadat de VEB een enquêteprocedure ex art. 2:345 BW is gestart. Deze procedure kan onder andere worden ingesteld door aandeelhouders die voldoen aan de drempelwaarde gesteld in art. 2:346 lid 1 sub d BW. De VEB vertegenwoordigt gezamenlijk tenminste 1/100e gedeelte van het geplaatste kapitaal van OCI en voldoet daarmee aan de drempel. Nu is OCI ontvankelijk om een enquête te starten. In het enquêteverzoek wordt verzocht om onderzoek te doen naar de gang van zaken en het beleid binnen OCI. Als er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan een juist beleid wijst de OK het verzoek toe. Dan volgt er een onderzoek waarbij er door de OK onderzoekers worden aangewezen. Zij zullen onderzoek doen naar het beleid en de gang van zaken en een verslag van de uitkomst van het onderzoek deponeren bij de griffie van de OK van het Gerechtshof Amsterdam. Als uit het verslag wanbeleid zou blijken, is de OK bevoegd om voorzieningen te treffen ex art. 2:355 BW. Daarbij kan gedacht worden aan de schorsing/ontslag van een of meer bestuurders en/of commissarissen.

Ten grondslag aan voornoemd enquêteverzoek ligt de voorgenomen transactie tussen OCI en Orascom. De VEB stelt onder andere dat de ratio van de transactie ontbreekt, er sprake is van een belangenconflict omdat de familie Sawiris in beide vennootschappen een meerderheidsbelang heeft en de vastgestelde ruilverhouding onredelijk is. De VEB verzoekt de OK om onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van OCI over de periode voorafgaand aan dit besluit. Ook heeft de VEB de OK verzocht om de stemrechten op de aandelen die middellijk dan wel onmiddellijk door de familieleden worden gehouden, tijdelijk te schorsen.

 

Uitspraak van de Ondernemingskamer

Op 19 januari 2026 deed de OK uitspraak op het verzoek van de VEB.4 Dit oordeel heeft een voorlopig karakter, nu de Ondernemingskamer vanwege het spoedeisende belang aanleiding zag om direct onmiddellijke voorzieningen te treffen. Van een definitief oordeel over mogelijk wanbeleid is op dit moment nog geen sprake, aangezien nog geen onderzoek door de door de OK te benoemen onderzoekers heeft plaatsgevonden. Pas na afronding van dat onderzoek zal kunnen worden beoordeeld of daadwerkelijk sprake is geweest van wanbeleid. Een van de redenen voor de OK om te twijfelen aan de juistheid van het beleid en hier in te grijpen is dat de belangen van de aandeelhouders van OCI (de familie én de minderheidsaandeelhouders) op geen enkel moment nauwkeurig zijn meegewogen bij de voorbereiding van de transactie. Uit een conceptnotitie van de bestuursvergadering van OCI is gebleken dat de voorgenomen transactie al door het bestuur is uitgewerkt zonder hier de voor- en nadelen voor OCI en haar aandeelhouders af te wegen. Evenmin is de OK gebleken dat er onderzoek is verricht of nog verricht zou gaan worden naar de belangen van alle aandeelhouders bij genoemde transactie. In de notulen van de bestuursvergadering van 21 mei 2025 is slechts het volgende opgenomen: ‘Alternatives may need to be considered by the Board.’ Uit de overlegde stukken blijkt geen sprake te zijn van een zorgvuldige belangenafweging met betrekking tot deze groep minderheidsaandeelhouders.5

Daarnaast roept ook de timing van de voorgenomen transactie de nodige vraagtekens op bij de OK. De OK heeft aangegeven geen duidelijkheid te hebben gekregen waarom het in gang zetten van de transactie zo snel is ingezet na een eerdere verkoop van bedrijfsonderdeel  ‘Metco’ van OCI.6Hierin lijkt het bestuur van OCI zichzelf tegen te spreken door in eerste instantie aan te geven dat een strategie voor de toekomst van OCI nog afhankelijk is van de uitkomsten van de eerdere verkoop. Bestuurlijk handelen moet gericht zijn op een duurzame lange termijn waardecreatie.7 Het bestuur moet een visie vaststellen die gericht is op de continuïteit van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming en een strategie formuleren die deze visie realiseert. Daarbij is het met name van belang dat het hier gaat om een transactie tussen gelieerde partijen waarbij doorgaans extra zorgvuldigheid in acht zou moeten worden genomen om schijn van belangenverstrengeling tegen te gaan.

 

Conclusie

Hoe nu verder? De OK is bevoegd om voorlopige voorzieningen te treffen ex art. 2:349a BW en heeft dat ook gedaan gezien de spoedeisendheid. Omdat de aandeelhoudersvergadering al op korte termijn gepland stond zag de OK noodzaak in te grijpen. Deze voorzieningen worden opgelegd voor ten hoogste de duur van het geding. De OK treft een aantal onmiddellijke voorzieningen waardoor de verkoop aan Orascom op dit moment onmogelijk is gemaakt. Daarnaast wijst de OK twee niet-uitvoerende bestuurders aan bij OCI.8 Deze bestuurders hebben als taak om toezicht te houden bij de voorbereiding en afronding van het voorgenomen besluit omtrent de verkoop van alle activa en passiva aan Orascom, of enig andere transactie met Orascom waarvoor de goedkeuring van de algemene vergadering is vereist.9 Bij deze taak zal het bestuur zowel de belangen van OCI als de belangen van alle aandeelhouders in acht moeten nemen. De OK overweegt dat het belang van de minderheidsaandeelhouders zwaarder zou worden geschaad bij het nalaten van het treffen van een voorziening dan de belangen van OCI bij het treffen van een voorziening. Omdat, aldus de OK, een beoogde transactie op een later moment (na evenredige besluitvorming) alsnog plaats zou kunnen vinden. Dit is volgend de OK minder ingrijpend dan nu verkopen en de transactie op een later moment terugdraaien waarbij het nadeel voor de minderheidsaandeelhouder onomkeerbaar is geworden.

Rommelen blijft het voorlopig nog even op Chemelot en bij OCI. De taak voor de aangewezen bestuurders is vooral gericht op het toezichthouden op de taakvervulling van het huidige bestuur en het belang dat zij daarbij dient, namelijk dat van de vennootschap. Hoe de toekomst er voor OCI uitziet is nog onduidelijk. De OK zal het verzoek van de VEB, om een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken te gelasten, op een later tijdstip behandelen. De toezichthoudende rol van de OK is sterk in deze casus. Het snelle optreden van de OK bevestigt wederom dat er extra zorgvuldigheid wordt betracht bij een zogenoemde ‘related party transaction’. Bestuurders zullen hierbij meer zorgvuldigheidsmaatregelen moeten nemen bij het te nemen besluit om schijn van belangenverstrengeling tegen te gaan. Deze casus leert ons ook dat niet snel kan worden aangenomen dat je hieraan voldoet als bestuurder, omdat de OK alsnog indringender toetst aan het besluit. Minderheidsaandeelhouders met voldoende belang kunnen in deze situatie een enquête starten waarbij zij de eventuele bescherming genieten van de onmiddellijke voorzieningen van de OK.

  1. J. van den Broek, ‘Chemelot: verduurzaming en verdienmodel verdampen’, L1 Nieuws 25 februari 2026.
  2. OK 19 januari 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:118, JOR 2026/72, m.nt. B. Kemp.
  3. OK 19 januari 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:118, r.o. 4.6 onder punt 4.
  4. OK 19 januari 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:118.
  5.  OK 19 januari 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:118, r.o. 4.24. 
  6. OK 19 januari 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:118, r.o. 4.21.
  7. Principe 1.1 Nederlandse Corporate Governance Code.
  8. OK 19 januari 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:118, r.o. 4.28.
  9. Art. 2:107a BW. 
Labels:
  • Rechtsstaat en rechtsstatelijkheid

    Deze blog verscheen op 20 oktober 2025 in de Hofvijver, de nieuwsbrief van het Montesquieu Instituut.

    Sinds het Kinderopvangtoeslagenschandaal lijkt de rechtsstaat een van de centrale politieke strijdpunten te zijn. De Staatscommissie rechtsstaat, die naar aanleiding daarvan was ingesteld...

    Rechtsgeleerdheid
    Binnenhof
  • MOSaR meets Science in Court: overbevolkte gevangenissen

    Op woensdag 18 juni organiseerden het Maastrichts Onderzoekscentrum voor Samenleving en Recht (MOSaR) en Maastricht Science in Court (MSIC) een gezamenlijk symposium over de overbevolkingscrisis in het Nederlandse en Belgische gevangeniswezen. 

    Rechtsgeleerdheid
    MOSaR meets MSIC