Chirurgen

Alle medicijnen die we tegenwoordig kennen, zijn ontwikkeld met behulp van proefdieronderzoek. Zowel voor mensen als voor dieren. En dat geldt ook voor medische behandelingen als bestraling of operatietechnieken. Nog steeds is het ontwikkelen van nieuwe medicijnen of het verbeteren van bestaande behandelingen afhankelijk van proefdieronderzoek. Wetenschappers zijn zelfs wettelijk verplicht om nieuwe behandelingen eerst in minstens twee verschillende proefdieren te testen, voordat ze een studie bij mensen mogen starten.

Er zijn regels

Dierproeven doe je niet zomaar; er zijn strenge wetten en regels. Het gebruik van dieren voor wetenschappelijk onderzoek mag bovendien alleen als er geen andere mogelijkheid is. Bij elke onderzoeksaanvraag vindt er naast een wetenschappelijke toetsing, ook altijd een ethische toetsing plaats: weegt het ongerief voor de dieren op tegen de verwachte resultaten van het onderzoek? Bovendien moet de onderzoeker duidelijk maken waarom het niet met een alternatieve methode kan, of het ook met minder dieren kan en hoe het ongerief voor de dieren binnen de perken gehouden wordt (de 3 V’s).  

3V’s: Vervanging, vermindering en verfijning

De overheid, wetenschap, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties zoeken samen naar methoden die dierproeven vervangen, verminderen en verfijnen. Elke vergunningaanvraag voor dierproeven bij de Centrale Commissie Dierproeven (CCD) moet verantwoorden hoe aan de 3V’s wordt voldaan:

Vervanging
Steeds meer proeven met dieren worden vervangen door alternatieve methoden. Bijvoorbeeld door computersimulaties die biologische processen in het menselijk lichaam nabootsen. Of door onderzoek waarbij onderzoekers menselijk weefsel gebruiken.

Vermindering
Bij elke proef zo min mogelijk dieren gebruiken. Bijvoorbeeld door gegevens van eerdere onderzoeken te gebruiken. Ook leveren nieuwe onderzoeksmethoden meer gegevens op uit minder dieren.

Verfijning
Tijdens de dierproeven het ongemak van dieren zoveel mogelijk verminderen. Bijvoorbeeld door goedehuisvesting, voeding en pijnbestrijding.

Onderzoekers over proefdierkundig onderzoek

Zonder onderzoek met proefdieren staat de medische wetenschap stil. Onderzoekers vertellen waarom en hoe ze proefdierkundig onderzoek verrichten.

Een nieuw centrum

De Universiteit Maastricht bouwt een nieuw BioMedisch Centrum (BMC): een state-of-the-art onderzoeksfaciliteit voor biomedisch onderzoek, met name proefdierkundig onderzoek. Het wordt een multifunctioneel, flexibel ingericht gebouw met laboratoria en dierenverblijven, dat ook aan veranderende omstandigheden kan worden aangepast. Bijvoorbeeld wanneer er in de toekomst minder dierproeven nodig zijn.

Waarom nieuwbouw?

Onze wetenschappers werken continu aan nieuwe of betere medicijnen of behandelingen voor ziektes als kanker, alzheimer en hart- en vaatziekten. De huidige proefdiervoorziening van de universiteit is gehuisvest in een decennia-oud gebouw, waar niet alle gewenste innovaties gerealiseerd kunnen worden. Het nieuwe BMC biedt moderne faciliteiten, betere omstandigheden voor de dieren en betere werkomstandigheden voor de onderzoekers en dierenverzorgers. Het nieuwe BMC vervangt de huidige proefdiervoorziening.

Stand van zaken
Het Definitieve Ontwerp (DO) van het gebouw is vastgesteld en de aannemers en installateurs zijn geselecteerd. Momenteel loopt de aanvraagprocedure voor de bouw- en omgevingsvergunning. Als alles goed gaat start de bouw begin 2020 en wordt het gebouw in 2021 in gebruik genomen.

Prof. dr. Martin Paul, Voorzitter van het College van Bestuur van de Universiteit Maastricht:

“Wij staan pal achter het Nederlandse beleid van ‘Vervanging, Vermindering en Verfijning’. De dierproeven die we uitvoeren, zijn wettelijk goedgekeurd door de overheid en voldoen aan alle strenge richtlijnen die ervoor gelden. Op het moment dat het anders kan, zullen we nooit voor een dierproef kiezen. Maar zolang dierproeven nog de enige route vormen naar de verbetering van behandelingen voor ziektes als kanker en diabetes, vinden we het belangrijk hiervoor de best mogelijke voorzieningen te creëren voor onze medewerkers. Daarom is het nieuwe BMC noodzakelijk.”

BMC building

Fast Facts

UM BMC

  • Aan de UM wordt alleen wetenschappelijk onderzoek verricht op muizen, ratten, konijnen, varkens, schapen, geiten, zebravissen en soms cavia’s en hamsters.
  • Gemiddeld gaat het in 95% van de gevallen om muizen en ratten.
  • Hoeveel dieren worden gebruikt, publiceert de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) jaarlijks in Zo Doende.
  • Momenteel verplicht de overheid wetenschappers om proefdieren te gebruiken voor medische innovaties (zie ook het interview met prof. dr. Leon de Windt).
  • UM-wetenschappers werken ook aan alternatieven voor proefdieronderzoek.
  • De afgelopen decennia is het aantal gebruikte proefdieren aanzienlijk teruggedrongen en zijn de leefomstandigheden voor de dieren flink verbeterd (zie ook het interview met Andreas Teubner, hoofd CPV).
  • Omdat het naar verwachting nog enkele decennia duurt voor alternatieven voldoen, investeert de UM nu in een nieuwe proefdiervoorziening, om de kwaliteit van leven van de dieren en de kwaliteit van het onderzoek te verbeteren.

     

Organisatie

  • Dierexperimenteel onderzoek wordt aan de UM uitgevoerd door de Faculty of Health, Medicine and Life Sciences (FHML) en de Faculty of Psychology and Neuroscience (FPN).
  • De Centrale Proefdiervoorzieningen (CPV) biedt de faciliteiten om dit onderzoek uit te voeren.
  • De Instantie voor Dierenwelzijn (IvD) controleert de voorstellen en helpt onderzoekers met de projectvergunningaanvraag.
  • Deze aanvraag wordt ingediend bij de Dier Experimentele Commissie (DEC). De DEC toetst de aanvraag en geeft advies aan de Centrale Commissie Dierproeven (CCD).
  • De Centrale Commissie Dierproeven (CCD) is het landelijke orgaan dat in Nederland als enige bevoegd is om vergunningen voor dierproeven te verlenen
  • Het Nationaal Comité advies dierproevenbeleid (NCad) is ingesteld voor de bescherming van dieren die worden gebruikt voor wetenschappelijke doeleinden en voor onderwijs.

Wet- en regelgeving dierproeven

Het gebruik van dieren voor wetenschappelijke doeleinden mag in de Europese Unie alleen als er geen andere mogelijkheid is. Er is een Europese richtlijn voor dierproeven. In deze richtlijn zijn regels opgesteld om proefdieren in Europa te beschermen. Alle lidstaten van de Europese Unie moeten deze richtlijn verwerken in hun nationale wet- en regelgeving.

  • In Nederland zijn dat de Wet op de dierproeven (Wod, 2014); het Dierproevenbesluit; en de Dierproevenregeling.
  • Alleen instellingen met een vergunning mogen dierproeven doen. In Nederland zijn dat met name universiteiten en andere onderzoekscentra. De UM houdt zich aan de Wet op de dierproeven en volgt de gedragscode van de Centrale Commissie Dierproeven , alsmede de Code Openheid Dierproeven (COD). Deze code is opgesteld om concreet invulling te geven aan de breed onderschreven opvatting in de maatschappij dat openheid over wetenschappelijk onderzoek met dieren wenselijk en noodzakelijk is.
  • Voor elk afzonderlijk onderzoek is een vergunning nodig. Bij het proces van aanvragen van deze vergunning zijn meerdere partijen betrokken, zodat alle afwegingen zorgvuldig plaatsvinden. Naast een wetenschappelijke toetsing vindt ook altijd een ethische toetsing plaats: weegt het ongerief voor de dieren op tegen de verwachte resultaten van het onderzoek?
  • Voor elk onderzoek waar proefdieren bij betrokken zijn wordt door de onderzoeker(s) een onderzoeksvoorstel ingediend dat aan een aantal voorwaarden moet voldoen. De Instantie voor Dierenwelzijn (IvD) controleert het voorstel en helpt de onderzoeker met de vergunningsaanvraag. Deze aanvraag wordt door de gemandateerde vergunninghouder ingediend bij de Dier Experimenten Commissie (DEC). De DEC toetst de aanvraag en geeft advies aan de Centrale Commissie Dierproeven (CCD). De CCD verleent vervolgens de vergunning of wijst de aanvraag af. De CCD is het centrale orgaan dat in Nederland als enige bevoegd is om vergunningen voor dierproeven te verlenen. 
  • Bij iedere vergunningaanvraag voor een onderzoeksproject met dierproeven hoort een niet-technische samenvatting (NTS). Deze bevat de doelstellingen van het onderzoek en een onderbouwing van het diergebruik en de verwachte negatieve gevolgen voor het welzijn van de proefdieren, inclusief toepassing van de 3 V's (vervanging, vermindering en verfijning). De NTS moet in lekentaal worden geschreven, zodat ze leesbaar is voor een breed publiek. De Centrale Commissie Dierproeven (CCD) publiceert deze samenvatting zonder naamsvermelding. Zo wordt het gebruik van proefdieren in Nederland transparant gemaakt, zonder schending van intellectuele eigendomsrechten of privacy.