"Wie krijgt zo’n kans?"
Als iemand het recht heeft om terug te blikken op 45 jaar Faculteit der Rechtsgeleerdheid, dan is het Job Cohen (1947). Als eerste decaan stond hij letterlijk aan de wieg van alles wat de faculteit nu is. Wij vroegen hem te reflecteren op de beginjaren, op het pionieren met een radicaal nieuw onderwijsidee en op wat dat hem, en de faculteit, heeft gebracht.
Foto: Suzanne Vrolijk (vlnr: Marlie Sprengers, Jeppe Balkema, Job Cohen, Victor Rutgers, Karl Dittrich)
Hij reageerde met de eerlijkheid die hem typeert: “Ik word gehinderd door mijn waardeloze geheugen.” En dus herlas hij, ter voorbereiding, het boek dat verscheen bij het 35-jarig bestaan van de faculteit. De eerste decaan die zijn eigen geschiedenis moest opfrissen via een jubileumboek over zijn eigen faculteit. Het zegt iets over de tijd die verstreken is, maar nog meer over de man zelf.
Terug naar 1966: ‘Ik had geen idee wat ik wilde’
“Ik ging in 1966 rechten studeren in Groningen. Waarom rechten? Omdat ik geen idee had wat ik wilde, en ik dacht, terecht, dat je met rechten nog alle kanten uit kon. Tijdens mijn studie zat ik al in verschillende besturen, waaronder, als een van de eerste studenten, het Faculteitsbestuur. Vooral de inrichting van het onderwijs interesseerde mij. Min of meer bij toeval, via een advertentie in het blad van de Leidse juridische faculteit waarin een ‘onconventionele jurist’ werd gezocht, belandde ik bij het Bureau Onderzoek van Onderwijs van die universiteit.
Het grootste probleem in die tijd was de enorme toestroom van studenten. Onderwijs bestond vooral uit hoorcolleges en werkcolleges die vaak niet veel meer waren dan verkapte hoorcolleges. Dat moest toch anders kunnen?”
Toen dat bureau tien jaar bestond, stelde Cohen voor om eens in Maastricht te gaan kijken. “We hadden begrepen dat ze daar een heel nieuw onderwijssysteem hadden bedacht: Probleemgestuurd Onderwijs. Zo gezegd, zo gedaan. Mijn baas Hans Crombag en ik ontmoetten daar Wynand Wijnen, de man die aan de basis stond van dat systeem en die de universiteit haar eigen gezicht had gegeven. Ik was onder de indruk. Dit was een totaal andere benadering van onderwijs, één die studenten veel actiever bij hun studie betrok. Niet passief luisteren naar colleges, maar werken in kleine groepen, aan de hand van concrete problemen. Die aanpak leek mij bij uitstek geschikt voor de rechtenstudie. Want als er iets is waar juristen mee bezig zijn, dan is het wel juridische problemen oplossen, nietwaar?”
In de trein terug ontstond meteen een idee voor een artikel voor het Nederlands Juristenblad.[AT1] “Dat heb ik toen samen met Hans Crombag geschreven. Als dank voor ons bezoek stuurden we het naar Maastricht, niet wetend dat men daar juist nadacht over uitbreiding van de universiteit. En laten we wel wezen: als je op een koopje wilt uitbreiden, is een juridische opleiding een voor de hand liggende keuze, toch? Veel studenten, relatief weinig personeel.”
Zo kwam van het een het ander. “Er werd mij gevraagd of ik daar niet een rol in wilde spelen. Dat was wel een stap voor deze geboren Haarlemmer, die in Groningen had gestudeerd en zo’n tien jaar in Leiden en Oegstgeest had gewoond. Maar aan de andere kant: wie krijgt zo’n kans? Als beginnende dertiger een nieuwe faculteit opzetten?”
Een sprong naar Maastricht
Gelukkig stond Jobs vrouw achter het avontuur. “Zij was lerares Nederlands en werd razendsnel een zeer gewaardeerde docent op het Sint Maartenscollege. Ik herinner me nog goed dat we op zoek waren naar een huis. Het was mijn vrouw die aan het einde van de dag peinzend zei dat dat huis aan de Brusselsestraat 58 misschien wel het interessantste was. Dat had ik zelf nooit bedacht, maar we hebben er twintig jaar heerlijk gewoond.”
Wennen was het wel. “Ik zie me nog bij de slager in diezelfde straat staan, te onzeker om te zeggen wat ik wilde kopen. Liever wees ik het aan, want als ik iets zei, was ik meteen ‘die Hollender’. Maar gaandeweg zijn we ons in Maastricht zeer thuis gaan voelen.
Ik weet nog hoe bijzonder ik het vond dat het Dagblad De Limburger het op de voorpagina vermeldde, toen ik jaren later staatssecretaris werd. Was ik toch een beetje Limburger geworden.”
Pionieren met een hechte club
“Het opzetten van de Rechtenfaculteit deed ik niet alleen, maar samen met Karl Dittrich en Cees Flinterman, die ik uit Leiden kende, Jeppe Balkema, studiegenoot uit Groningen, Victor Rutgers als eerste secretaris en Marlie Sprengers, vanaf dag één onze secretaresse, en heel veel meer dan dat. En het is misschien aardig om te weten: dit gezelschap komt nog ieder jaar bij elkaar, onder de onverklaarbare naam Klavertje 5.”
Wat ze deden? “Nieuwe medewerkers aantrekken die net zoveel zin hadden in iets nieuws, en vervolgens heel veel met elkaar discussiëren. Ja, onder mijn voorzitterschap. Terugkijkend denk ik dat ik daar veel van geleerd heb, zonder dat ik me daar toen echt van bewust was.
Ik probeerde, meestal succesvol, tot conclusies te komen waar iedereen mee kon leven. Inderdaad, een voorloper van de boel bij elkaar houden en thee drinken, nietwaar?”
Het onderwijs kreeg vorm. “Het eerste jaar bestond uit zes blokken van elk zes weken. Studenten werkten in kleine groepen actief aan door ons ontwikkelde problemen, met behulp van de zevensprong die we hadden overgenomen van de andere opleidingen, Geneeskunde en Gezondheidswetenschappen.
We waren een hechte en enthousiaste club, met vuur voor iets totaal nieuws. Dat was wat ons bond: de juridische studie op een geheel nieuwe leest schoeien, met een actieve rol voor studenten. Die actieve rol, dat was echt het fundamentele verschil met traditionele opleidingen.”
Na een jaar lag het eerste materiaal klaar. “De eerste honderd studenten stroomden in, met een gemiddelde leeftijd die ongeveer even hoog was als die van de staf. Veel Limburgers, die graag gebruik maakten van de mogelijkheid om in eigen provincie te studeren en die bovendien graag deelnamen aan het experiment dat we aan het opzetten waren.”
Verhaal gaat verder onder de foto.
Twijfel, kritiek en doorzetten
“Spannend was het zeker, en dat zal het, denk ik, altijd blijven. Want hoe combineer je systematische kennis van het recht met het vermogen om juridische problemen te analyseren en op te lossen? En hoe overtuig je de buitenwereld dat zo’n opleiding voldoet?”
De eerste visitatie was een moment van twijfel. “Ik herinner me nog goed hoe buitengewoon conservatieve juristen, althans zo ervoeren wij dat, stevig gehakt maakten van onze opzet.”
Hij glimlacht. “Gelukkig is dat later meer dan goed gekomen. Kijk maar waar onze afgestudeerden terecht zijn gekomen. Dat er in de loop der jaren van alles veranderd is, hoort daar ook bij. Beredeneer wat je doet, kijk naar de resultaten en sta open voor kritiek.”
De blik naar buiten: Europa als volgende stap
“Misschien is de belangrijkste verandering wel geweest de introductie van de European Law School. Aanjager daarvan was, als ik me goed herinner, het enthousiasme van Douwe Korff. Het allereerste begin heb ik nog meegemaakt, maar de vlucht die dat heeft genomen, die is van na mijn tijd.
Wat wel opvalt, is hoe bepalend die stap is geweest voor het internationale karakter van de faculteit. Waar in de beginjaren nog veel Limburgse studenten instroomden, zie je nu onderwijsgroepen met studenten van over de hele wereld. De keuze voor Engelstalig onderwijs heeft de faculteit zichtbaar een andere dynamiek gegeven.
Die afslag richting Europa past overigens goed bij de vernieuwingsgezindheid die er vanaf het begin was en is, in het licht van de huidige ontwikkelingen, alleen maar belangrijker geworden.”
De jurist van morgen volgens Cohen
“Zo zie ik ook de jurist van vandaag en morgen voor me: maatschappelijk betrokken, kritisch, ten opzichte van de buitenwereld én zichzelf, en bereid om ontwikkelingen op het vakgebied te blijven volgen.
En iemand die zich, meer dan ik dat in mijn tijd deed, realiseert dat vrede, vrijheid en westerse waarden van fundamenteel belang zijn voor onze samenleving. Hij sluit af met een wens. “Ik hoop dat juristen met voldoening terugkijken op hun studietijd, als een periode waarin zij hun talent hebben ontdekt en ontwikkeld en waarin zij zich thuis zijn gaan voelen in hun vakgebied.
Je eigen talenten leren kennen: dat is wat mij betreft een van de belangrijkste opbrengsten van een studie. En als ik daar, 45 jaar geleden, in die eerste onderwijsgroepen en met die eerste honderd studenten, een klein beetje aan heb mogen bijdragen, dan ben ik daar, met terugwerkende kracht, heel blij mee.”
Meer verhalen, events en nieuws op de alumniwebiste van Rechten >