28 jan 2019
Pensioen: Outside in – Pensioen in Europa: Nederland de laatste dinosaurus?

Pensioenseminar 2019

Op 28 januari vond de achtste editie plaats van het Maastricht Pensioenseminar. Het thema van de bijeenkomst was 'Pensioen: Outside in – Pensioen in Europa: Nederland de laatste dinosaurus?'. 

Foto-impressie van de middag
 

Lees hier het verslag van de dag, per programma-onderdeel:

 Opening
Middagvoorzitter Janwillem Bouma, voorzitter PensionsEurope

 Waar denkt Europa over na?
Prof. Yves Stevens, KU Leuven

 Pensioenstelsels in Europa: arbeidsvoorwaarde versus financieel product
Bastiaan Didden LL.M, ITEM-promovendus

 Europese benadering van marktdenken
Nicolas Jeanmart, Head of personal insurance, general insurance & macroeconomics, Insurance Europe, Brussel

 Het Nederlandse marktdenken m.b.t. pensioen
André van Vliet, pensioenfondsbestuurder van ABP, Pensioenfonds Hoogovens, Het Nederlandse pensioenfonds

 Maatschappelijk kader van pensioen in Nederland
Pieter Omtzigt – Tweede Kamer CDA-fractie

 Afsluiting

 

Opening & korte inleiding

Janwillem Bouma – PensionsEurope

Middagvoorzitter Janwillem Bouma (voorzitter PensionsEurope) ving het seminar aan met de opmerking dat Europa oog moet hebben voor Nederland, maar anderzijds Nederland ook oog moet hebben voor Europa en ook zeker andere lidstaten en instanties. Het debat dient gezocht te worden langs de lijn hoe de pensioenwereld in Europa en in Nederland eruitziet en wat we daarvan kunnen leren. Europa heeft namelijk ook zeker wat te maken met het Nederlandse, arbeidsrechtelijke pensioen. De vier Europese vrijheden zien immers ook op arbeiders. Deze vrijheden zijn echter soms moeilijk te rijmen met het pensioen en diens arbeidsrechtelijke en fiscale kant. Er blijft een spanningsboog tussen het lokale, arbeidsrechtelijke denken en het Europese product gedreven denken.

Naast de vier vrijheden, komt sinds de financiële crisis ook steeds meer interesse uit macro-economische kant voor pensioenen vanuit Europa, zowel in de vorm van regelgeving als Europese instituten. De aandacht vanuit Europa is derhalve alom. Dit programma plaatst dit in een breder perspectief en zoekt de diepte op. Hierbij wordt aangevangen met het bestuderen van de geschiedenis en de vooruitzichten, het zoeken naar de verbindende maar ook de verschillende elementen van pensioen tussen grenslanden en tot slot het weergeven van de diversiteit binnen de EU en de huidige trends. Na de pauze wordt teruggekomen naar Nederland met de visie van de pensioenfondsen en de politiek.

Middagvoorzitter Janwillem Bouma

 

Waar denkt Europa over na?

Prof. Yves Stevens – KU Leuven

De presentatie van Yves Stevens (professor KU Leuven) stond in het teken van de geschiedenis van pensioenstelsels in Europa en de vooruitzichten van (Europees) pensioenbeleid.

Zo’n vijftig tot zestig jaar geleden zijn er drie soorten welvaartsstaten te identificeren: Bismarck, Beveridge en de Sovjet. Deze modellen waren nooit echt volledig dekkend, maar zeker in deze tijd zijn pensioenstelsels niet tot moeilijk zo te classificeren. Europa is een mengelmoes van pensioenstelsels, met Nederland en IJsland als vreemde eend in de bijt door het staatspensioen op basis van inwonerschap.

Na de korte geschiedbeschrijving vervolgde Yves Stevens met de vraag waar Europa over nadenkt. Deze vraag is lastig te beantwoorden, want wat is nu precies de EU? Velen denken daarbij in eerste instantie aan de Europese Commissie, maar deze bestaat echter ook uit verschillende entiteiten (bijvoorbeeld het Directoraat-Generaal Werkgelegenheid, sociale zaken en inclusie (EMPL) of Directoraat-Generaal Financiële stabiliteit, financiële diensten en kapitaalmarken (FISMA)). De invalshoek en visie ten aanzien van pensioen is wezenlijk verschillend per entiteit. De EU zijn naast de lidstaten ook de Europese instanties, als EIOPA en de ECB, en groepen, als de High Level Expert Group, die wederom erg divers zijn en waarbinnen verschillende visies bestaan.

In Europa is dan ook nooit een taxonomie van pensioenen gekomen. Het dichtst bij een dergelijke taxonomie was in 2002, toen de eerste lidstaten uit Oost-Europa erbij kwamen. Het is nooit gelukt door het complexe verhaal van de verschillende pensioenopvattingen. Nederland spreekt over een arbeidsvoorwaarde, waar een Fransman eerder aan het staatspensioen denkt. Daarnaast bestaan er veel pensioenstelsels met een ambtenarenpensioen, deze zien pensioen mogelijk als verdienste voor het vaderland. Het beeld in België is voornamelijk het gerechtvaardigde rust, ofwel het recht om te rusten. In totaal identificeerde Yves Stevens elf vormen van pensioenopvattingen, die maken dat één taxonomie van pensioenen niet mogelijk is.

Daarnaast vormt Europa enerzijds en gekapitaliseerde pensioen anderzijds een moeilijk huwelijk. Hiervoor zijn veel redenen, maar als hoofdreden draagt Yves Stevens de AARON conditie aan. Deze conditie is het gevolg van een studie, waarbij ze een analyse maken van omslagfinanciering en kapitaaldekking. Aan de hand van micro-simulaties tonen ze aan dat de keuze tussen omslagfinanciering of kapitaaldekking sterk afhankelijk is van een aantal parameters. Hierbij laat hij zien dat de verhouding tussen factor ‘reële loonstijging en groei aan werkgelegenheid’ en factor ‘reële kapitaalmarktrente’ bepalen wat het voordeligste is voor de overheid. Daarbij concludeerde hij dat het de lage rente en de hoge overheidsschulden in veel landen het moeilijk maakt om een gekapitaliseerd pensioen in te voeren. Dat maakt dat in de EU, binnen een klassiek drie pijler systeem, lidstaten veel inzetten op de eerste en de derde pijler. Het aanvullend pensioen staat onder druk in veel landen omwille van de collectiviteit.

Yves Stevens vervolgde met de constatering dat het Nederlandse model naar andere landen moeilijk te exporteren is. De kracht van het Nederlandse stelsel ligt volgens hem namelijk niet bij aanvullend pensioen, maar bij de hoogte van de AOW. Door een hoog AOW, die universeel is, wordt een sterke basis gecreëerd. Bij het bestuderen van de tweede pijlers, ziet hij met name de opkomst van de automatic enrolment. Waar het Verenigd Koninkrijk is begonnen, volgen landen als Ierland, Polen en nu ook Turkije deze systematiek. Ierland gaat daarbij nog verder door niet alleen het instappen automatisch te voorzien, maar ook automatisch de premie per jaar te laten stijgen. Al dat gegeven is niet collectief, maar individueel. Daarmee vormt het geen collectieve arbeidsvoorwaarde zoals in Nederland. Deze trend is ook in lijn met het arbeidsmarktgegeven, dat leidt tot personal pensions. Ter illustratie merkt Yves Stevens op dat nergens zoveel spanning op de arbeidsmarkt bestaat dan in Nederland met het aantal zzp’ers. De gehele Europese arbeidsmarkt is minder klassiek aan het worden en daarmee is de derde pijler stijgende en de tweede pijler is aan het krimpen.

Dat leidt Yves Stevens ertoe nog een woord over het PEPP te zeggen. Hij merkt dat veel lidstaten niet voor, maar ook niet tegen het PEPP zijn. Dit met de gedachte dat het PEPP niet uitmaakt, omdat de, doorslaggevende, fiscaliteit toch nationale aangelegenheid blijft. Yves Stevens betwijfelt dit echter en geeft aan dat twee grote Europese consultancybureaus bezig zijn met het onderzoeken of het niet faciliteren van het PEPP door lidstaten in strijd is met de vrijheden en met EU rechtspraak, als in bijvoorbeeld de Safir-zaak. Het PEPP gaat daarmee volgens Yves Stevens verder komen dan de meeste denken.

De reële vraag is volgens hem in alle lidstaten hetzelfde, namelijk dat pensioenen altijd gaan over de mate van het delen van risico’s en onder wie deze kunnen worden verdeeld. Voor de verdeling van risico’s is vertrouwen belangrijk en de wijze waarop je vertrouwen kunt opbouwen. Fundamentele problemen met vertrouwen in het pensioenstelsel worden door Yves Stevens geïllustreerd aan de hand van Hongarije en Polen. In Hongarije is de tweede pijler afgeschaft en in Polen is de tweede pijler voor de helft omgezet naar de eerste pijler en de andere helft naar de derde pijler. In die landen merkt hij dat mensen niet meer geloven in pensioen.

Ook Nederland heeft het zwaar en sinds de financiële crisis zware klappen gehad en kortingen dreigen. Daarbij stelt Yves Stevens zich vragen als hoe zich dat verhoudt naar het vertrouwen in een stelsel en hoe je het vertrouwen gaat behouden in zo’n systeem stelt.

Yves Stevens sloot zijn presentatie af met wat Nederland volgens hem wel kan exporteren. In veel landen is de bevoegdheidsverdeling ten aanzien van pensioenen verspreid over verschillende ministeries. Dat is problematisch, omdat deze niet samenwerken. In Nederland geldt er wel zeker samenwerking ten aanzien van alle pijlers en tussen alle bevoegde instanties en dat is een sterk goed.

Pensioenstelsels in Europa: arbeidsvoorwaarde versus financieel product

Bastiaan Didden – ITEM/Maastricht University

Bastiaan Didden (ITEM PhD onderzoeker) behandelde in zijn presentatie de kwalificatieproblematiek van pensioen bij grensoverschrijdende arbeid. Hierbij concentreerde hij zich op wat pensioen is in de landen Nederland, België en Duitsland.

Hij ving aan met een impressie van recent pensioenbeleid in de verschillende landen. Zo kun je in België pensioengeld gebruiken voor het kopen van een woning, een soort lening op basis van je pensioenaanspraken. In Duitsland is sprake van verbreding en verdieping van het pensioensparen. Voorheen kende Duitsland nog geen echte DC-regelingen, hetgeen vanaf 1/1/18 ingevoerd is. Momenteel vindt de discussie plaats om via cao tot een verdere uitrol van DC-regelingen en daarmee aanvullend pensioenstelsel te komen. Tot slot gaf hij aan dat Nederland aan het nadenken is over een uitkering ineens (lumpsum). Daarmee sluit Nederland meer aan op andere lidstaten en wordt het verzorgingskarakter iets losgelaten.

Bastiaan Didden vervolgde zijn presentatie met een aantal relevante beleidszaken. Wat is pensioen precies? Bastiaan liet de verschillende benaderingen van pensioen zien aan de hand van karakterisering, wetgeving en de wisselwerking van de pensioenpijlers in de drie landen.

In het algemeen bestaan twee verschillende opvattingen ten aanzien van aanvullend pensioen. In Duitsland wordt aanvullend pensioen gezien als een HR-instrument om high skilled mensen te werven. In Nederland daarentegen geldt het inkomensvervangende karakter van aanvullend pensioen (consumptiespreiding). De Nederlands arbeidsvoorwaardelijke invalshoek en de wettelijke verplichting voorkomt juist concurrentie. Ook België zet zich sinds 2004 met de introductie van de Wet aanvullende pensioenen (WAP) in voor de uitrol sectorale pensioenstelsels. Daarmee neemt nu ongeveer 80% deel aan een aanvullende pensioenregeling. Duitsland kent echter geen wettelijke verplichting voor het aanbieden van of deelnemen in een pensioenregeling. De cao vormt de basis voor aanvullend pensioen, waaronder ongeveer 60% van de werknemers is gebracht. Een werknemer heeft in Duitsland echter wel de mogelijkheid om te opteren voor een pensioenregeling, waardoor een gedeelte van het salaris wordt omgezet. Hetzelfde zie je in België. Werknemers worden dus aangemoedigd om vrijwillig deel te nemen. In Nederland zie je dit min of meer met het vrijwillige nettopensioen, maar is toch verschillend van insteek.

Een ander karakteriseringspunt dat goed inzicht geeft in verschillende zienswijzen is de flexibiliteit. Binnen de eerste pijler is in Nederland eerder de flexibilisering van de AOW-leeftijd geopperd, Duitsland kent de flexirente om pensioen uit te stellen en België heeft de mogelijkheid om een voorschot van het pensioen te nemen. De annuïtaire uitkering van aanvullend pensioen is iets typisch Nederlands. In België wordt pensioen gezien als uitgesteld loon, waardoor een eenmalige uitkering juist mogelijk is. De verantwoordelijkheid voor de lange termijn legt België neer bij de gepensioneerde.

Vervolgens ging Bastiaan Didden in op de tweede benadering, de reglementering van pensioen. Hierbij zijn, het (civiel) aanvullend pensioenrecht, het arbeidsrecht en met name het sociaal zekerheidsrecht en het belastingrecht van belang. Het sociaal zekerheidsrecht ziet in eerste instantie op de eerste pijler, maar werkt door naar andere pijlers. Zo gaf Bastiaan aan dat de AOW in Nederland immers als basis fungeert. Het belastingrecht speelt en de fiscale instrumenten worden gebruikt om het pensioen te verruimen. Zo worden in Duitsland de faciliteiten verruimd, ten behoeve van meer pensioensparen. Dit in contrast met Nederland, dat de fiscale faciliteiten versobert en het pensioengevend loon aftopt. Dit is deels in lijn met de geïdentificeerde pensioenhervormingen. Duitsland zet zich sterk in op verbreding en verdieping van het pensioen, waar Nederland worstelt met collectiviteit versus individualisering.

Tot slot de derde benadering, de wisselwerking van pensioenpijlers. In Nederland geldt een sterke multi-pillar benadering, hetgeen zelfs in de fiscaliteit is terug te vinden. Toch lijkt in het Regeerakkoord minder focus te liggen op de eerste pijler dan op tweede pijler. De tweede pijler eist aandacht door bijvoorbeeld de witte vlekken en zzp’ers. In België en Duitsland is met name een focus op tweede, maar ook zeker op de derde pijler te zien. De maatregelen en focus van Duitsland en België doen volgens Bastiaan Didden ook zeker denken aan een inhaalslag, maar volgen daarbij Nederland totaal niet. Daarnaast benadrukte Bastiaan de scheidslijn tussen pijlers. Als voorbeeld gaf Bastiaan het domein wonen. In Nederland wordt dit veelal gezien als vierde pijler. België daarentegen betrekt de eigen woning in de tweede pijler door de mogelijkheid van vervroegde onttrekkingen. Daarmee constateerde Bastiaan een vervaging van pensioenpijlers, hetgeen zijns inziens niet veel uitmaakt zolang er maar gespaard wordt.

Afsluitend werden enkele vaststellingen gegeven. Daarbij gaf hij aan dat de beleidsmatige benadering van pensioen is ingegeven vanuit historische en sociaal-economische context. Nederland wordt vaak als vreemde eend in de bijt gezien. Desalniettemin is dit te kort door de bocht, ieder stelsel is uniek en heeft zijn wetenswaardigheden, aldus Bastiaan Didden. Wel is in de drie landen een trend van individualisering te identificeren. Volgens Bastiaan is het daarbij cruciaal om duidelijk vast te stellen wie welke taken en verantwoordelijkheden heeft. Gezien de, grote, verschillen is het kopiëren van pensioenstelsels, regels en beleidsvoornemens daarbij niet wenselijk.

Europese benadering van marktdenken

Nicolas Jeanmart – Insurance Europe

De presentatie van Nicolas Jeanmart (Insurance Europe) gaf inzicht in het Europese markt-/verzekeringsdenken en de bestaande diversiteit en trends binnen Europa.

Nicolas Jeanmart ving aan met de opmerking dat alle pensioenstelsels uniek zijn, maar sommige, zoals die van Nederland, zijn meer uniek. De verschillen zijn goed te illustreren door een aantal gegevens/parameters.

  • Binnen de EU bestaat een groot verschil in wat mensen verdienen. Dit heeft invloed op de betaalbaarheid van pensioenen;
  • Daarnaast lopen de effectieve pensioenleeftijden uiteen. Nicolas merkte hierbij op dat de inwoners van zuidelijke lidstaten in het algemeen effectief langer met pensioen zijn dan de inwoners van noordelijke lidstaten;
  • De omvang en de rol van de pensioenpijlers zijn erg divers;
  • Het aanvullende pensioen is tevens divers. Er bestaat geen alomvattende definitie van wat aanvullend pensioen is;
  • Er zijn verschillende actoren betrokken en wet- en regelgeving van toepassing ten aanzien van (uitvoering van) private pensioenen.

Daarmee concludeerde hij wat onder pensioen verstaan wordt. Wat een pensioenoplossing zou kunnen zijn, verschilt per lidstaat.

De presentatie vervolgde met belangrijke trends:

  • De demografische veranderingen zorgen voor een veranderende ratio tussen gepensioneerden en de beroepsbevolking. De pensioenuitgaven als percentage van het bbp stijgen met name in Luxemburg en ook in België tot een significant niveau. De verwachtingen voor Polen verbeteren daarentegen;
  • De rente is erg laag. De ECB heeft deze de afgelopen tijd laag gehouden. Dit heeft een negatief effect op zowel de activa- als de passivakant van de balans van pensioenuitvoerders;
  • Als andere algemene trend is het verschuiven van risico’s aan te merken. Ten eerste wordt publiek pensioen steeds meer vervangen door privaat pensioensparen. Binnen het privaat pensioen wordt verschoven van DB naar DC of van winst participatie naar unit-linked. Met deze veranderingen worden rendementsrisico’s verschoven. Tot slot is een overgang van annuïteiten naar lump-sum waarneembaar, waardoor het langlevenrisico en het rendementsrisico in de decumulatiefase wordt verschoven.

    Voortbouwend op de trends, ging Nicolas Jeanmart verder op de rol van verzekeraars binnen pensioenuitvoering. Traditioneel gezien zorgen verzekeraars voor een gegarandeerd minimumrendement, risicodeling en goede rendementen door diversificatie en een lange termijnvisie. Daarnaast dienen biometrische risico’s te worden afgedekt en moeten goede opties worden aangeboden ten aanzien van de decumulatiefase. Hij merkte hierbij op dat, ondanks de trend van risicoverschuiving, het belangrijk is dat risico’s worden afgedekt en een gegarandeerd minimumrendement wordt gewaarborgd. Hervormingen moeten niet zo ver gaan dat deze minima verdwijnen.

De verzekeringssector is gevormd op EU niveau. Waar IORP II voor pensioenfondsen een richtlijn is waarin de nationale wetgevers enige ruimte tot wettelijke invulling hebben, is de verzekeringssector gereguleerd door de Solvency II richtlijn met een hechtere sturing vanaf EU-niveau. Solvency II beslaat alle risico’s en harmoniseert de regels op Europees niveau. De implementatie van deze regels waren erg kostbaar, maar is uiteindelijk toch positief bevonden door de verzekeringssector doordat het risicomanagement is verbeterd. Desalniettemin is Nicolas Jeanmart van mening dat Solvency II te conservatief is voor lang termijn ondernemingen. Daarmee is revisie van de regels in Solvency II noodzakelijk.

Vervolgens ging de presentatie in op de consumentenbescherming. De pensioeninformatie en de kostenplafonds zijn voornamelijk op nationaal niveau vastgesteld. Op Europees niveau vindt echter ook steeds meer discussie plaats over deze zaken. Een Europese aanpak ten aanzien van informatievoorziening moet volgens Nicolas Jeanmart voldoende ruimte blijven bieden voor nationale omstandigheden. Volledige harmonisatie is onwenselijk. Kosten en beloningen zijn afhankelijk van de pensioenregelingen en diens kenmerken. Ook een uniforme aanpak van kosten en beloningen is derhalve onwenselijk.

Nicolas Jeanmart vervolgde met het PEPP. Het PEPP is aan het eind van het proces, definitieve akkoorden zouden volgens plan aankomende weken moeten volgen. Volgens Nicolas Jeanmart is het op dit moment nog niet mogelijk om vast te stellen of het PEPP een waardige aanvulling aan het Europese pensioensparen zal zijn. Het is hierbij volgens hem met name van belang dat het PEPP echte pensioenkenmerken heeft: er dienen garanties en vereisten voor de uitkeringsfase te gelden.

Tot slot somde hij enkele aanbevelingen op. Een multi-pillar systeem zegt weinig, desalniettemin heeft dit model een alomvattende aanpak ten aanzien van pensioen. Hierdoor vindt er diversificatie plaats, hetgeen belangrijk is. Daarnaast is het belangrijk om voorzichtig om te gaan met radicale veranderingen binnen multi-pillar systemen. Veel lidstaten zijn immers juist op zoek naar een dergelijk model. Meer aanbevelingen zijn gedaan in het boek van Nicolaas Jeanmart, een blueprint for pensions [https://www.insuranceeurope.eu/sites/default/files/attachments/A%20Blueprint%20for%20Pensions.pdf]. In hoofdlijnen gaat het erom dat we niet alleen vanuit Europees perspectief, maar ook niet alleen vanuit nationaal perspectief naar pensioenen moeten en kunnen kijken. Een meer wereldwijde kijk op pensioenen is wenselijk.

Het Nederlandse marktdenken met betrekking tot pensioen

André van Vliet – ABP / PF Hoogovens / AFP Het Nederlandse Pensioenfonds

De eerste presentatie na de pauze werd verzorgd door André van Vliet, bestuurder bij ABP, Pensioenfonds Hoogovens en APF Het Nederlandse Pensioenfonds. Hij benadrukte dat hij deze presentatie op persoonlijke titel deed. 

Afgetrapt werd met de constatering dat de Nederlandse pensioensector – waaronder de sociale partners en de pensioenuitvoerders – de afgelopen tientallen jaren iets fantastisch heeft bereik. Werknemers kunnen namelijk op een goede manier worden voorzien van ouderdomspensioen, nabestaandepensioen en arbeidsongeschiktheidspensioen. Daarbij wordt ook nog eens geregeld dat een toezichthouder die toekijkt of het veilig is zodat werknemers niet het risico lopen dat zij wel pensioen denken opgebouwd te hebben, maar dat later niet krijgen. Het is van belang om met deze constatering rekening te houden gedurende de verschillende pensioendiscussies, aldus André van Vliet. De presentatie werd vervolgd door aan te geven dat het Nederlandse pensioenstelsel regelmatig als wereldkampioen pensioen wordt aangeduid. De crux zit volgens hem met name in de goed geregelde collectiviteit, solidariteit en risicodeling. Hij waarschuwde echter voor risicoselectie. Op welke wijze wordt namelijk omgegaan met de medische kennis die ontstaat? Als dat soort informatie beschikbaar komt, en die techniek komt beschikbaar, dan is risicoselectie volgens hem een enorme splijtzwam onder een goed pensioensysteem.

Desalniettemin dient niet te worden vergeten dat pensioen een harstikke dure arbeidsvoorwaarde is, zeker in deze tijd door de lage rente. Ruim 10 jaar geleden leefde de Nederlandse pensioensector in een prettige tijd met hoge dekkingsgraden en de verwachting dat de nominale waarde altijd kon worden gegarandeerd. Inmiddels blijkt dat die nominale garantie niet meer zeker is, maar proefondervindelijk is geworden doordat pensioenfondsen hebben moeten korten. Daarnaast zijn de pensioenen gedurende de afgelopen jaren niet meer geïndexeerd. Hoewel dit probleem volgens André van Vliet de afgelopen jaren nog enigszins door de lage prijsinflatie mee is gevallen, gaat het de komende jaren veel schrijnender worden. Verder wordt de deelnemer ook nog geconfronteerd met verlaagde opbouwpercentages, een versoberd fiscaal kader en een alsmaar opschuivende pensioenleeftijd. Dat allemaal bij elkaar opgeteld zorgt ervoor dat de deelnemer teleurgesteld is. Het is volgens hem derhalve terecht dat deelnemers klagen over het feit dat zijn niets over hun pensioen te zeggen hebben. De deelnemers missen volgens hem een zelfbeschikkingsrecht. Hoewel het Nederlandse pensioensysteem internationaal als heel goed wordt gezien, zijn de deelnemers dus hartstikke ontevreden. Die spagaat vormt volgens André van Vliet een hele belangrijke uitdaging voor de toekomst. Hiernaast vormen de financiële opzet en de evenwichtigheid twee uitdagingen. Zo werkt het huidige FTK volgens hem beknellend. Daarnaast blijkt in de praktijk dat steeds meer pensioenfondsen kiezen voor een gedempte premie in plaats van een zuiver kostendekkende premie. Een zuiver kostendekkende premie is volgens hem niet meer te betalen. Heel belangrijk hierin is volgens hem hetgeen de Commissie Parameters hierover heeft gezegd en wat ook in de wet is opgenomen. De maximale parameters zijn echter vastgesteld in een tijdsgewricht gebaseerd op economische beelden van 2013 en 2014. Zijn persoonlijke mening is dat de begrenzing van de Commissie Parameter veel te ruim is op dit moment.

Vervolgens stond André van Vliet stil bij de vraag of het misschien verstandig is om aan de huidige rekenrente te gaan sleutelen. Volgens hem is dat geen goed idee. De reden hiervoor is volgens hem erin gelegen dat verplichtingen en bezittingen op de balans van een pensioenfonds momenteel allebei op marktrente worden gewaardeerd. Het is volgens hem niet wenselijk om hieraan te sleutelen, omdat dit tot vreemde onwenselijke situaties zou kunnen leiden. Daarentegen is het volgens hem een beter idee om nog eens goed te kijken naar de rekenregels die momenteel worden gehanteerd. Hij gaf onder meer als voorbeeld de korting onder de beroemde 104,2%. Ook dat is volgens hem een heel ingewikkeld verhaal om uit te leggen aan de deelnemers. Enige jaren gelden hoefden de pensioenfondsen namelijk niet te korten bij een dekkingsgraad van 90% en straks bij een dekkingsgraad van 103% moeten zij wel korten. André van Vliet vraagt zich af wie dit aan de deelnemer gaat uitleggen.

De presentatie werd afgesloten met een samenvatting van de stand van zaken omtrent de ontwikkelingen op het gebied van het nieuwe pensioencontract. Volgens André van Vliet is de bottom line dat het risico verschuift naar de deelnemer. Het maakt volgens hem dan ook niet zo heel veel uit of uiteindelijk gekozen wordt voor 1B of 4C: je kunt heel lang discussiëren met elkaar of het nu A of B moet zijn, maar dat heeft eigenlijk niet zoveel te maken met het pensioenresultaat dat eruit voortvloeit. André van Vliet gaf ten slotte aan dat hij benieuwd is of, indien er een nieuw pensioencontract komt, alle pensioenfondsen deze stap zullen maken.

Maatschappelijk kader van pensioen in Nederland

Pieter Omtzigt – Tweede Kamer CDA-fractie

De laatste presentatie van het Pensioenseminar werd verzorgd door Pieter Omtzigt (Tweede Kamerlid). Hij bouwde zijn presentatie op aan de hand van een drietal lijnen.

Gestart werd met de vraag wat nu eigenlijk het ideaal pensioenstelsel zou zijn als wij vandaag zouden beginnen. Bij de beantwoording van deze vraag werd gerefereerd naar de eerste presentatie. Volgens Pieter Omtzigt kun je een groter rendement op een omslagstelsel dan op een kapitaaldekkingsstelsel beloven als impliciete rente groter is dan het rendement op aandelen. Deze constatering leek 10 jaar geleden uitgesloten. Volgens Pieter Omtzigt dient echter niet alleen rekening te worden gehouden met de marktrente, maar ook met de marktwaarderingen. Het huidig ingrijpen van de ECB heeft ertoe geleid dat het niet de markt is die de rente bepaald maar de ECB. Traditioneel greep de ECB namelijk alleen in op het korte eind van de curve, maar door het opkoopbeleid, het opkopen van staatsobligaties uit alle eurolanden, heeft de ECB feitelijk ook op de lange kant van de curve ingegrepen. Die lange kant is buitengewoon relevant voor de pensioenfondsen. Hij gaf aan het merkwaardig te vinden dat dat gedeelte vaak buiten de discussie blijft. Hoewel Mario Draghi zegt dat dat beleid ooit een keer afgebouwd gaat worden, lijkt dat iedere keer weer een stukje langer aan te houden. Pieter Omtzigt denkt dat Nederland die discussie te lang weggedrukt heeft uit het politiek bestel. Vooral omdat men denkt dat de ECB onafhankelijk is. De ECB heeft echter naast de pensioenfondsen ook op andere gedeeltes van het Nederlandse bestel een zekere destabiliserende invloed. Een ECB die op tweeduizendvijfhonderdmiljard euro aan obligaties zit is volgens Pieter Omtzigt een systeemrisico voor het stelsel.

Ten tweede werd de vraag gesteld wat Nederland op dit moment goed doet en wat Nederland op dit moment niet goed doet. Volgens Pieter Omtzigt is het niet goed dat Nederland een héél ingewikkeld pensioenstelsel gemaakt heeft: “In Den Haag en in de polder lukt het ons om iets dat eenvoudig is heel ingewikkeld te maken.” Hij gaf als voorbeeld de vele verschillende bestuursmodellen en pensioenregelingen en de ingewikkelde vraagstukken die zich voor kunnen doen indien een werknemer van de ene naar de andere werkgever overstapt. Dit soort ingewikkelde vragen zijn uiteraard erg vervelend voor de deelnemer. Hiermee liggen zowel Yves Stevens als Pieter Omtzigt op één lijn. Het gaat namelijk niet om een betere uitleg, maar om de vraag of die uitleg aankomt. Volgens Pieter Omtzigt komt die uitleg volstrekt niet meer aan bij de deelnemer. Volgens hem was het derhalve zeer teleurstellend dat in het concept pensioenakkoord opnieuw een onderscheid werd gemaakt tussen twee verschillende contracten, die bovendien naast alle andere bestaande contracten gezet werden. Als hiervoor wordt gekozen, dan wordt het de deelnemer onmogelijk gemaakt om te begrijpen wat voor een aanspraken hij heeft. Dit is volgens hem niet wenselijk aangezien pensioen naast de eigen woning nog altijd de grootste financiële asset van de Nederlandse huishoudens is. Een ander probleem dat werd aangedragen vormen de witte vlekken. De eerste reden is dat het aantal witte vlekken aan het oplopen is dat de arbeidsvoorwaarde pensioen zodanig duur is dat heel veel werkgevers goed aan het nadenken zijn of zij deze aanbieden. De tweede reden is de hele ZZP-discussie. De derde reden is ten slotte dat er pensioenregelingen zijn die het woord pensioenregeling op zich gestempeld hebben, maar waarvan niemand zou denken dat men een pensioen opbouwt. Als voorbeeld gaf Pieter Omtzigt het StiPP pensioenfonds. Dat is trouwens een moeilijkheid, de wetgever heeft er namelijk van afgezien om te definiëren wat een pensioen is. Hoewel het pensioenstelsel van de sociale partners is, werd aangegeven dat er wellicht een rol is weggelegd voor de wetgever om op te leggen wat een minimum pensioenregeling is. Dit bevordert tevens de inzichtelijkheid, hetgeen volgens Pieter ook bevorderd kan worden door middel van een sterrensysteem voor pensioenregelingen.

De derde vraag die gesteld werd is wat er op dit moment in Europa gebeurt en wat daar precies mee moet worden gedaan. Allereerst werd duidelijk dat het Nederlandse pensioenstelsel in allerlei rankings nog steeds als zeer goed gezien wordt. Dit terwijl de deelnemers behoorlijk ontevreden zijn. Volgens Pieter Omtzigt is één ding waarin Nederland echt slecht scoort: de eigen woning. De eigen woning is in zijn ogen namelijk wel degelijk onderdeel van de pensioenvoorziening. Daarna werd de discussie gevoerd of Europa een tweede of derde pijler zou moeten gaan opzetten. Pieter Omtzigt stond ten slotte stil bij enkele grensoverschrijdende aspecten. Hoewel de meeste werkers niet grensoverschrijdend werken wil dit niet zeggen dat er geen problemen zijn op dit gebied. Het tegendeel is namelijk het geval. Het PEPP kan mogelijk een oplossing bieden. Een probleem dat volgens Pieter Omtzigt volstrekt onderbelicht is gebleven in de grote discussie, is het probleem van de democratische legitimatie. Ingevolge de IORP-richtlijnen is het mogelijk om een pensioenfonds en de pensioengelden vanuit Nederland te verhuizen naar een andere lidstaat. Dit betekent feitelijk dat er een discoördinatie gaat ontstaan tussen waar iemand stemt en waar iemand zijn belasting betaalt en dat is levensgevaarlijk voor de democratische legimitatie. Als een pensioenfonds verhuist naar een andere lidstaat waarover geen democratische controle bestaat, dan wordt er volgens Pieter Omtzigt een democratisch zwart gat gecreëerd dat zijn weerga niet kent in de Nederlandse geschiedenis.

Pieter Omtzigt

Afsluiting

Gestart werd met de constatering dat het ontstaan van een taxonomie van een Europees pensioensysteem vrij onzeker is. Tegelijkertijd is tijdens het Pensioenseminar een aantal kenmerken langsgekomen waarvan kan worden gezegd dat deze in ieder systeem terug zouden moeten komen. Dat begint ermee dat de Nederlandse pensioensector zuinig moet zijn op hetgeen dat is bereikt. Dus met andere woorden: bouw op datgeen dat er al is en neem dat mee, maar laat dat niet de ballast voor de toekomst zijn.

Daarnaast is duidelijk geworden dat samenwerking tussen fiscaliteit en arbeidsvoorwaarden noodzakelijk is om de betaalbaarheid van ieder systeem te realiseren. Ook vertrouwen is van groot belang, hetgeen gepaard gaat met begrijpbaarheid. Er moet meer vanuit de deelnemer worden gedacht, iets waarin de Nederlandse tweede pijler nog grote stappen kan zeten. Hierbij is niet alleen veel te leren van andere landen in Europa maar ook vanuit andere disciplines. Volgens middagvoorzitter Janwillem Bouma is er nog een brug te winnen als het gaat om de eenvoud dat wordt aangeboden.

Ten slotte is gebleken dat het niet uitmaakt hoe er wordt gespaard, als er maar voldoende gespaard wordt. Dus een multi-pillar oplossing, waarbij je risico’s diversifieert tussen de eerste, tweede, derde, maar ook de vierde, vijfde en zelfs de zesde pijler. Het ging vandaag met name over drie pijlers en het belang van de woning als vijfde pijler. Daarnaast vormt de vierde pijler het zelf niet fiscaal gefacilieerd sparen en de zesde pijler het werken.

De Raad van Advies, bestaande uit Gerard Rutten, Lilian van Duijnhoven, Janwillem Bouma, Ruud Kleynen, Prof. Roland Brandsma en Prof. Anouk Bollen (vz) kijken terug op een geslaagd Pensioenseminar in de lijn van het thema ‘Pensioen: Outside In’. Het is van groot belang om te bezien wat het Nederlandse pensioenstelsel kan leren van de wereld buiten Nederland. Dat kan vanuit Europees maar ook vanuit landen perspectief zijn. De organisatie verwelkomt alle input voor het volgende Pensioenseminar om dit thema verder uit te diepen en kijkt uit naar een wederom drukbezocht seminar op maandag 27 januari 2020.