Financieel Rechercheren over de Grens
Het traceren en afpakken van crimineel vermogen vormt een essentieel onderdeel in de strijd tegen de ondermijnende georganiseerde criminaliteit, want daarmee wordt bijvoorbeeld beter inzicht verworven in de financiële logistiek van criminele operaties en ‘worden criminelen geraakt waar het echt zeer doet: in hun portemonnee.’ Echter, de uitdagingen die grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van financieel rechercheren opwerpt bemoeilijken deze strijd. Onderzoek naar grensoverschrijdende politiesamenwerking en de uitdagingen die daarmee gepaard gaan is relatief schaars. Dat type onderzoek richt zich bovendien veelal op klassieke vormen van politiële en justitiële samenwerking en gaat aan financiële facetten van criminaliteit vaak voorbij. Om die lacune op te vullen is het onderzoek “Financieel Rechercheren over de Grens” gestart.
De focus van het onderzoek ligt op de samenwerking bij grensoverschrijdend financieel rechercheren. Er wordt onderzocht hoe Nederland op dat gebied samenwerkt met andere landen zoals België en Duitsland en de uitdagingen die daarmee gepaard gaan, om zo tot mogelijke verbeteringen en oplossingen te komen. De verkennende fase van het onderzoek is onlangs afgerond. Daarin lag de nadruk, onder meer, op interviews met ervaringsdeskundigen en beleidsexperts en dat heeft tot een aantal relevante inzichten en aandachtspunten geleid.
Reactieve focus
Uit de verkennende fase van het onderzoek wordt duidelijk dat financiële recherche een horizontaal en breed inzetbaar instrument is dat verschillende doelen kan dienen. Het kan proactief worden ingezet om fenomenen in kaart te brengen ten behoeve van preventie, risico analyse en beleidsbepaling, maar ook ter identificatie van concrete actoren en zaken. Voorts kan het een rol spelen in het opsporings- en strafrechtelijk vooronderzoek, de vervolging, en de veroordeling met name als het gaat om ontneming. In de praktijk blijkt de nadruk echter te liggen op het vergaren van ondersteunend bewijs voor (grond)delicten en vooral parallel aan een hoofddelict ter ontneming. Financiële recherche heeft momenteel dus voornamelijk een reactief tactisch karakter. Proactief strategisch financieel onderzoek is vrijwel onontgonnen gebied en dat is volgens de geïnterviewde ervaringsdeskundigen een gemis, omdat daarmee relevante kansen onbenut blijven. Met name de mogelijkheid om een scherper beeld en betere informatie positie te krijgen omtrent onderliggende problematieken hetgeen tactische keuzes en beleid kan informeren. Het financiële aspect wordt dus in de praktijk versmald geoperationaliseerd.
Kennis en kunde
In Nederland wordt er beleidsmatig al decennia op gehamerd dat financieel rechercheren in de organisatie ingebed moet worden. Vraag is echter of daarvoor de benodigde capaciteit voorhanden is en vooral of het ook al in het DNA van de opleiding zit. Uit de gesprekken komt naar voren dat er toch vaak een beperkt beeld is van de financieel rechercheur als een soort van ‘veredelde boekhoudkundige’. Echter om financiële assets inzichtelijk te maken en te volgen is er een ‘methodische 1000-poot’ nodig met een brede kennis van relevante recherchekundige methoden en hoe die elkaar in een financiële context aanvullen. De organisatie heeft dus behoefte aan goed opgeleide en getrainde professionals en juist daar doen zich uitdagingen voor. Binnen de reguliere politieopleiding is er beperkt aandacht voor financieel rechercheren en lijkt de nadruk vooral te liggen op tactische aspecten, zoals afpakken en minder op de proactieve intelligence fase. Dat er in de opleiding aandacht komt voor financial crime scripting is dan ook positief. Veel experts zijn geen doorstromers, maar zij-instromers met hoogst relevante skills en knowhow. Het blijkt echter een uitdaging om juist die personen vast te houden. De experts komen vaak uit de private sector, maar blijken veelal niet te kunnen aarden binnen de politieorganisatie met zijn specifieke cultuur en, vergeleken met private sector, beperkter carrièreperspectief. Veel van de opleiding en training van deze zij-instromers vindt plaats ‘on the job’. Dat maakt het ook kwetsbaar, omdat trainingsprocessen en opgedane kennis vaak niet geborgd wordt binnen de organisatie, met het gevolg dat dit verdampt als mensen weer uitstromen of een andere functie binnen de organisatie aannemen.
Versmalde operationalisering
Het bovenstaande heeft ook een weerslag op grensoverschrijdende financiële recherche. Er wordt dan ook vooral reactief samengewerkt met andere landen zoals België en Duitsland. Dit gebeurt naar aanleiding van concrete hulpverzoeken waar assistentie vereist is in het kader van bevriezing, ontneming, en vergaren van bewijs. Proactieve of intelligence gedreven samenwerking vindt slechts sporadisch plaats. Onderzoeken worden overwegend nationaal ingekaderd, er is nagenoeg geen grensoverschrijdende probleemaanpak. Ondanks dat financieel rechercheren breed inzetbaar is, wordt het in internationale context ook versmald geoperationaliseerd.
Grensangst
Wat uit de gesprekken duidelijk wordt is dat voor de autoriteiten de grens vooral een uitdaging of obstakel lijkt te zijn, terwijl criminelen de grens vooral zien als een mogelijkheid. In de interviews wordt wel gesproken over een ‘grensangst’ die tot terughoudendheid leidt. Dit wordt verklaard met verwijzing naar verschillen in organisatie, wetgevend kader en politiecultuur. Deze verschillen maken internationale samenwerking tijdrovend en er is vaak minder controle. Deze aspecten wreken zich vooral als het gaat om financieel rechercheren, want ‘geld is vluchtig’ en het vereist een snelle en goede informatievoorziening voor tactische beeldvorming en actie.
‘Informele verbinders’
Grensoverschrijdende politionele activiteiten gebeuren binnen een formeel wettelijk of verdragsrechtelijk kader. Om de samenwerking tussen landen te bevorderen zijn er in het buitenland ook liaisons aangesteld. Om de hier bovengenoemde uitdagingen te mitigeren, gaat aan een succesvolle formele procedure vaak een informele samenwerking vooraf: informele voorbereiding is cruciaal voor een succesvolle formele afhandeling. Uit de interviews wordt duidelijk dat naast formele liaisons, vooral ook ‘informele verbinders’ een cruciale rol vervullen. Uiteindelijk blijkt een beperkt aantal personen binnen de organisatie de informele draaischijf te zijn waarover veel samenwerking tot stand komt en verloopt. Dit zijn professionals met een grote grensoverschrijdende inhoudelijke expertise en ze bezitten tevens sterke sociale culturele vaardigheden. In tegenstelling tot officiële liaisons, bouwen de ‘informele verbinders’ hun netwerk op en onderhouden ze dat vaak tijdens en naast hun reguliere werk. Daardoor is het zeer persoonsafhankelijk en dat maakt het ook kwetsbaar. Veel informele verbinders geven aan dat netwerk knowhow niet geborgd is en dat die mogelijk verdampt als men de organisatie verlaat.
Aandachtspunten
Het bovenstaande is slechts een korte beschouwing, maar er kan een aantal aandachtspunten uit gedestilleerd worden. Ten eerste, beleidsmatig staat financieel rechercheren hoog op de agenda, maar de vertaling naar de praktijk vereist meer aandacht en dan met name de proactieve kant. Onderzoeken worden vooral nationaal ingekaderd en er is op dit vlak nagenoeg geen grensoverschrijdende probleemaanpak. Men zou beter kunnen profiteren van elkaars info positie en pro-actiever te werk gaan, door middel van bijvoorbeeld financieel georiënteerde grensoverschrijdende operationele criminaliteits- en veiligheidsanalyses. Ten tweede, de capaciteit die daarvoor nodig is vereist continue aandacht. Dat omvat opleiding en training, maar ook de uitdaging om aangetrokken capaciteit vast te houden en uitstroom te voorkomen. Besteed daarnaast ook aandacht aan het borgen en uitventen van opgedane kennis en knowhow (monitoren, evalueren en delen). Dit is cruciaal, omdat het lijkt dat de meest waardevolle vaardigheden en knowhow tijdens het werk worden geleerd en niet zozeer tijdens reguliere opleidingen en trainingen. Het is belangrijk om dergelijke expertise terug te voeren in de organisatie en te borgen. Tot slot, zijn binnen de politieorganisatie liaisons aangesteld in het buitenland om de samenwerking te bevorderen. Echter, uit het onderzoek blijkt dat ontzettend veel samenwerking tot stand komt via ‘informele verbinders’ die contacten en netwerken opbouwen en dat veelal doen naast hun reguliere werk. Gezien de cruciale rol van die informele verbinders is het belangrijk aandacht te hebben voor hun rol en deze te versterken en beter te borgen.
C.A.R. Moerland
Roland Moerland is Associate Professor of Criminology and Law at Maastricht University. He is the director of the Forensics Criminology and Law Master Program.
-
Een bekentenis intrekken: kan dat eigenlijk wel?
Onderzoek naar de opvattingen en ervaringen van Nederlandse strafrechtadvocaten met betrekking tot ingetrokken bekentenissen.
-
Europese Dag van het Slachtoffer
Op 22 februari is het de ‘Europese Dag van het Slachtoffer’. Op deze dag wordt door verschillende organisaties in binnen- en buitenland aandacht besteed aan slachtoffers van strafbare feiten. Victim Support Europe organiseert dan bijvoorbeeld een symposium in Brussel getiteld ‘Leave No Victim Behind...