1 september 2017

Interview: De transitie naar een nieuwe economie

Onbekenden die samen één auto delen. Een netwerk rond een drugsverslaafde jongere dat zelf de zorg verleent, onder begeleiding van een professional. Een uur kozijnen schilderen terugbetalen met een uur werken in de tuin van iemand anders. Het zijn allemaal voorbeelden van een meer sociale economie, die langzaam maar zeker groeit, ook in Nederland. René Kemp onderzoekt vanuit de Universiteit Maastricht hoe deze transitie van een oude naar een nieuwe economie wereldwijd vorm krijgt.

Het samen dingen anders doen dan gebruikelijk wordt ook wel ‘sociale innovatie’ genoemd. In steden overal ter wereld worden deze activiteiten gebundeld, in zogeheten ‘stadslabs’. In Maastricht is er bijvoorbeeld het Maastricht-LAB, dat zich vooral richt op de stadsontwikkeling en de kansen die grote leegstaande gebouwen bieden voor creatieve initiatieven. Het stadslab in Antwerpen richt zich vooral op duurzaamheid.
Deze twee en nog drie andere stadslabs zijn onderwerp van wetenschappelijk onderzoek, gecoördineerd door de Universiteit Maastricht.

Handleiding stadslab
René Kemp: “In het Urb@Exp-project, dat gefinancierd is door JPI Urban Europe, onderzoeken we hoe je zo’n stadslab nu het beste vorm kunt geven en waar het goed voor is. Daar worstelen beleidsmakers en andere initiatiefnemeners vaak nog mee. Moet je het bijvoorbeeld organisatorisch binnen een gemeente plaatsen, of juist met andere partijen doen?” De kennis die ze daarbij opdoen willen de onderzoekers nadrukkelijk ten goede laten komen aan de praktijk. “Vaak eindigt wetenschappelijk onderzoek met een aantal wetenschappelijke artikelen en een eindrapport en hebben vooral de wetenschappers iets geleerd. Wij vonden het zinvoller om de kennis die we hebben vergaard aantrekkelijk te bundelen in een ‘Lab kit’.” Gemeentes of andere instanties die ook een stadslab willen opzetten, kunnen de kit bestellen en aan de slag.

Vermenselijking
Een van de valkuilen waarvoor de kit hen behoedt is bijvoorbeeld zich alleen op de enthousiaste creatievelingen te richten en te weinig oog hebben voor de omgeving van het stadslab. Of voor de minder mondige medeburgers. Voor Kemp draait sociale innovatie vooral om een humanisering (of vermenselijking) van de economie. “In de huidige economie is de werkdruk enorm, de baanzekerheid klein, het collegiaal gevoel ook niet meer wat het ooit was, want je concurreert met je collega’s om werk. Dat alles ondermijnt het gevoel van verbondenheid met elkaar. De samenleving individualiseert erdoor. En veel mensen doen werk dat ze helemaal niet de moeite waard vinden. Dat vind ik grote problemen, ook al ‘gaat het goed met de Nederlandse economie’.”

The Masters
Een ander probleem is dat mensen die om wat voor reden dan ook niet meekunnen in de huidige economie, buiten de boot vallen. Het Maastrichtse project ‘The Masters’ is een goed voorbeeld van hoe ook jongeren die ‘anders ontwikkeld’ zijn betaalde klussen doen voor mensen in de wijk en zo mee kunnen doen in de samenleving. Vanuit de gedachte ‘iedereen kan iets’ is dit georganiseerd. Belangrijk daarbij is dat aan de drie basisbehoeften van mensen wordt voldaan: autonomie (op basis van interne motivaties), verbondenheid en het kunnen ontwikkelen en uitoefenen van je competenties. Door werk te verrichten dat je graag kunt en wilt doen.

Nieuw jasje
Kemp: “Sociale innovatie is enerzijds vernieuwing, maar heeft tegelijkertijd vaak elementen van vroeger. Jongeren die leren van een ervaren professional, dat deed men vroeger ook al. Diensten ruilen zonder dat er geld aan te pas kwam ook. Maar waar sociale verbanden vroeger knelden, gaan ze nu meer uit van wat mensen kunnen en willen bijdragen aan de samenleving en aan elkaar. Als dat gedaan wordt met een verdienmodel heb je een sociale onderneming die bestendig is. Al dat soort initatieven samen vormen een sociale economie waarbij niet gewin maar mensen voorop staan. Je doet wat voor anderen wat je zelf graag wilt doen en niet voor aandeelhouders of managers die waardetoevoeging kapen. De waardetoevoeging is ook anders: meer verantwoordelijk en zinvol voor jezelf en de samenleving.”  

Transitie
De overgang naar een socialere economie is een transitieproces. Het gaat om het opbouwen van iets nieuws en afbouwen van het bestaande. Het is eerste is makkelijker dan het tweede, want dat gaat om geld, belangrijke posities en belangen. Opgeleid als econoom heeft hij zelf de transitie doorgemaakt naar sociaal wetenschapper, of meer specifiek ‘innovatie-onderzoeker’. Kemp gelooft in onderzoek dicht op de praktijk: ”In de concreetheid van de praktijk worden wereldproblemen duidelijk. Je begrijpt moeilijkheden en mogelijkheden beter. Met en voor elkaar, met een grote mate van zelfsturing, haalt het beste uit mensen. Voorschriften niet. Prestatiemetingen ook niet.Vraag  maar aan onderwijzers, zorgverleners en sociale vernieuwers.”

Andere economie
René Kemp is zelf heel enthousiast over een meer sociale economie. “In de economie maar ook in onze sociale zekerheid zit veel inhumaniteit.” Waarmee hij onder andere doelt op het buitensluiten van ‘anders ontwikkelden’, het verplicht solliciteren voor kanslozen op de arbeidsmarkt, het zorgstelsel dat soms meer om protocollen en minuten dan om mensen draait. “Ik zie met name ook in het buitenland dat er behoefte is aan een andere economie. In Nederland zijn we in het algemeen goed opgeleid en redden de meesten zich wel, maar in Griekenland is het een ander verhaal. En daar zie je bijvoorbeeld, net als in de UK, ontzettend veel sociale innovatie-initiatieven. Timebanks, waarmee mensen diensten voor elkaar verrichten op basis van gemaakte uren (time credits), floreren er. Iedereen kan daar aan meedoen want iedereen kan iets. Ook voor re-integratie is het geschikt.  Als je goed kijkt, zie je dat er wat aan het veranderen is, maar het gaat langzaam.”

Stap voor stap
Creatievelingen en ondernemers zetten zich daar ook steeds meer voor in, samen met de al langer bestaande burgerorganisaties, actiegroepen, verenigingen en stichtingen. “Zij vormen de draaggolf van een andere economie en samenleving die we volgens mij nodig hebben”, aldus Kemp. “Uiteindelijk willen we allemaal betekenisvolle dingen doen met anderen. Sartre zei: ‘De hel, dat zijn de anderen’, maar de Belgische psychiater Dirk de Wachter zegt terecht: ‘De hel, dat is nergens bij horen of nergens om geven’.”

Prof. dr. René Kemp (1961) is hoogleraar Innovatie en Duurzame Ontwikkeling bij het Maastrichtse ‘International Centre for Integrated assessment and Sustainable development’ (ICIS) en verbonden aan UNU-MERIT. Hij is een van Europa’s vooraanstaande experts op het gebied van duurzaamheidstransities. Voor de Universiteit Maastricht leidt hij twee grote onderzoeksprojecten naar sociale innovatie: Urb@Exp en Transit.

Meer informatie hierover op: www.urbanexp.eu   and www.transitsocialinnovation.eu  

Door: Femke Kools