Zorg die niet kan wachten
Psychische nood in Nederland is geen abstract begrip. Die slaat wild om zich heen – in gezinnen, op scholen, op werkvloeren. Achter elke grafiek schuilt een mens van vlees en bloed. De nieuwste cijfers van RIVM en Trimbos tonen het onmiskenbaar: één op de vier volwassenen kampte het afgelopen jaar met een psychische aandoening; onder jongvolwassenen zelfs één op de drie.
Wie dagelijks met die werkelijkheid werkt, weet hoe dringend de situatie is. Psychiater Dyllis van Dijk is zo iemand. De verdediging van haar proefschrift over de verbetering van de ambulante depressiezorg vond in oktober plaats, maar de vragen die ze onderzocht - over wachttijden, uitval, behandelplanning- zijn actueler dan ooit.
Wachttijden
Aanleiding genoeg om terug te kijken op een traject dat tien jaar duurde. Het gesprek vond plaats via Teams. Eerst verscheen Van Dijk in beeld, vanuit haar werkkamer in de regio Den Haag. Even later voegde haar promotor, emeritus-hoogleraar psychiatrie aan de Universiteit Maastricht, Frenk Peeters, zich bij het gesprek vanuit zijn ruime zolderkamer.
De eerste vraag was meteen een bons op de deur: was het deelonderwerp van dit proefschrift — de invloed van wachttijden — niet gewoon een open deur? Van Dijk glimlachte. “Ik begrijp die reactie. Iedereen voelt aan dat lang wachten niet goed is. Maar voor zover wij konden vinden, was er nooit systematisch onderzocht wat wachttijd in de dagelijkse praktijk daadwerkelijk doet met behandelresultaten.”
Peeters: “In de zorg nemen we vaak veel vanzelfsprekend aan. We zeggen dat lange wachttijden schadelijk zijn, maar harde data ontbraken. Wetenschap begint waar aannames ophouden.”
Uit het onderzoek bleek dat langere wachttijden samenhangen met slechtere behandelresultaten, ongeacht de ernst van de depressie. Ook opvallend: ongeveer vijftien procent van de patiënten komt na de start van de behandeling niet meer opdagen. “Dat zijn niet per se mensen van wie je verwacht dat ze vanzelf opknappen,” zei Van Dijk. “Vaak gaat het om mensen die al langere tijd in zorgcircuits verkeren of teleurgesteld zijn geraakt door eerdere trajecten. Ze keren later terug met klachten die moeilijker te behandelen zijn. Dat kost tijd, geld en tast hun kwaliteit van leven aan.”
Data en diagnostiek
Peeters formuleerde het scherper. “Onze gezondheidszorg is uitzonderlijk rijk vergeleken met veel andere landen. Fantastisch — maar er is geen free lunch. Wie een behandeling aangaat, moet zich er ook aan verbinden. Net zoals behandelaren zorgvuldig met tijd en richtlijnen moeten omgaan.”
Een belangrijk instrument in het proefschrift is de DM-TRD, een compacte vragenlijst die factoren in kaart brengt die van belang zijn voor de huidige behandeling. “Eigenlijk is het een routeplanner,” zei Van Dijk. “Het voorkomt herhaling van ineffectieve behandelingen en geeft een helder overzicht van waar iemand staat in zijn of haar behandeltraject.”
Daarmee kwam ook de rol van de DSM (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders) ter sprake. Peeters: “De DSM is een landkaart. Zonder kaart raak je verdwaald, maar je moet de kaart niet verwarren met het landschap. Ze helpt oriënteren, maar is nooit de werkelijkheid zelf.”
Van Dijk vond die beeldspraak treffend. “Je hebt een gedeelde taal nodig om te onderzoeken en te vergelijken, maar in de spreekkamer moet je verder kijken: naar werk, relaties, financiële zorgen, trauma. Dat volledige landschap hoort bij de diagnostiek.”
Traject door de tijd
Van Dijk was buiten-promovendus: ze combineerde het onderzoek met haar werk als psychiater en later als geneesheer-directeur. Vanuit haar organisatie, de Parnassia Groep, kreeg zij één volledige dag per week om aan het onderzoek te werken. “Ik heb me daarin enorm gefaciliteerd gevoeld,” zei ze. “Juist die ruimte maakte het mogelijk om wetenschappelijk onderzoek direct te verbinden met vragen uit de dagelijkse praktijk. Natuurlijk gebeurde er daarnaast veel in de avonden, weekenden of vroeg in de ochtend, maar in deze tijd is het bijzonder dat een organisatie daar structureel ruimte voor maakt.”
Het traject liep intussen dwars door het leven heen. Haar zus kreeg een ernstig ongeluk waaraan zij blijvend hersenletsel overhield; later kreeg haar dochter de diagnose leukemie. “Ik wil daar niet mee koketteren,” zei Van Dijk. “Maar dit is wat er op mijn pad kwam. Het onderzoek gaf me continuïteit, iets om me aan vast te houden. En het belangrijkste: het gaat inmiddels goed met mijn dochter.”
Gaandeweg veranderde ook het onderzoek zelf. De ambitie om samen met een bedrijf een decision support tool te ontwikkelen bleek minder haalbaar dan gehoopt. Onder meer omdat de ontwikkeling en validatie van zulke instrumenten in samenwerking met commerciële partijen meer tijd, afstemming en complexe datavraagstukken vereiste dan binnen dit promotietraject haalbaar was. De koers werd bijgesteld. Peeters: “Zo gaat dat. Wat bleef was de kern: data uit de echte wereld gebruiken om de zorg zinvoller en doelmatiger te maken.”
Juist de verbinding tussen wetenschap en praktijk maakt dit traject bijzonder. Peeters: “In de GGZ wordt veel onderzoek gedaan dat nooit echt landt in de spreekkamer. En in de praktijk leven vragen waar de universiteit niet vanzelf op duikt. Buiten-promovendi kunnen die kloof verkleinen.”
Je merkte in alles dat ze elkaar intellectueel prikkelden én persoonlijk waardeerden — een combinatie die in promotietrajecten niet vanzelfsprekend is.
Van Dijk ervaart die verbinding inmiddels dagelijks. “Ik doe nog steeds onderzoek, vooral praktijkgericht, naar behandeluitkomsten en de organisatie van zorg — in het verlengde van mijn promotietraject. Dat zou ik zonder dit traject misschien niet zo hebben gedaan. De organisatie waardeert het: het helpt beleid te baseren op data in plaats van op intuïtie.”
Misschien is dat de kern: zorg vraagt tijd en wetenschappelijke inzichten, maar kan nooit eindeloos wachten. Omdat psychische nood zich nu eenmaal niet laat uitstellen.
Text Ludo Diels
Photograpy Hannah Lipowsky
Lees ook
-
Darmbacterie kan helpen gewicht beter op peil te houden na afvallen
Onderzoekers van de Universiteit Maastricht (UM) en Wageningen University (WU) hebben een veelbelovende ontdekking gedaan in de strijd tegen overgewicht. Uit een nieuwe klinische studie blijkt dat een specifieke darmbacterie kan helpen om gewichtstoename na een afslankdieet te beperken.UM news
-
Samenwerkend team van Maastricht University ontvangt financiering van Open Science NL
Een multidisciplinair team van UM-onderzoekers en ondersteunend personeel heeft een subsidie van €250.000 ontvangen van Open Science NL. Hun project zal een onderdeel van academisch onderzoek belichten dat vaak over het hoofd gezien wordt: de mensen die er achter de schermen aan bijdragen.
-
Thomas Cleij herbenoemd als decaan van de Faculty of Science and Engineering
Het College van Bestuur van de Universiteit Maastricht herbenoemt prof. dr. Thomas Cleij als decaan van de Faculty of Science and Engineering. Thomas zal tot maart 2031 leiding blijven geven aan de faculteit.