12 maart 2020
16-20 maart: Week voor de gezonde jeugd

Laat staan die frikandel

Het voorkomen van overgewicht en obesitas bij jonge kinderen en pubers wordt steeds belangrijker. “Veertien procent van de kinderen en de helft van alle volwassenen in Nederland heeft overgewicht”, zegt kinderarts Edgar van Mil. Op de Brightlands Campus Greenport in Venlo delen hij en psycholoog Remco Havermans sinds kort de leerstoel Jeugd, Voedsel en Gezondheid bij de Faculteit Science and Engineering van de Universiteit van Maastricht. Zij willen dit probleem bij de bron aanpakken.

Professors of Youth, Food and Health

Remco Havermans en Edgar van Mil

“Overgewicht mag hier dan wel minder een probleem zijn dan bijvoorbeeld in het Verenigd Koninkrijk, maar het is een probleem dat snel groeit en een potentiële crisis voor de gezondheidszorg vormt”, stelt Kinderarts Edgar van Mil. “Omdat obesitas en overgewicht lastig te behandelen zijn bij volwassenen, is het logisch om behandeling en preventie te richten op kinderen”, voegt hij daaraan toe. Preventie kan voorkomen dat kinderen zich tot obese volwassenen ontwikkelen.

Overgewicht neemt toe

“Bijna alle wetenschappers zijn het erover eens dat het eten van groenten en fruit voordelen heeft”, legt Van Mil uit. “Daarom willen wij de gezondheid en eetgewoonten van kinderen verbeteren.”De nieuwe leerstoel wordt gefinancierd door een consortium van regionale bedrijven die groenten produceren. Hun expertise komt van pas als het gaat om het aanmoedigen van groenteconsumptie. Daarnaast zijn ze ook zeer geïnteresseerd om samen te werken binnen het breed opgezette gezondheidsonderzoek van de UM-Brightlands campus

Gedeelde leerstoel

Aanvankelijk reageerden Havermans en Van Mil los van elkaar op de functie. Tijdens het selectieproces stelde het consortium hen aan elkaar voor en suggereerde om de leerstoel te delen. “We waren meteen enthousiast over dit idee. We wisselden ideeën uit vanaf het moment dat we elkaar ontmoetten en konden niet wachten samen te gaan werken”, herinnert Havermans zich levendig. Een leerstoel die zowel biologie en psychologie omvat zal ons helpen om deze complexe zaak vanuit verschillende expertises op te lossen.”
“Voedingskunde gaat niet alleen over wat je eet en hoeveel,” waarschuwt Van Mil, “maar zeker ook over fysieke activiteit, het microbioom, en zelfs het microbioom van ouders, genetica en epigenetica en heel veel andere variabelen.”
De professoren kiezen daarom voor een systemische benadering. “Dus we bestuderen niet alleen kinderen en hun ouders, maar ook andere familieleden, de schoolomgeving en vriendengroepen.” Het is niet eenvoudig dit systeem te bestuderen, omdat het een complex en dynamisch geheel vormt, waarin variabelen op elkaar inwerken en elkaar beïnvloeden.

Remco Havermans is onderzoeksleider van het Laboratory of Behavioural Gastronomy onderdeel van het Centre for Healthy Eating and Food Innovation op de Campus van de Universiteit Maastricht in Venlo. Voorheen werkte hij als universitair hoofddocent op de Campus Venlo, met als specialisatie de psychologie van het eten. Hij promoveerde op ‘Excessive appetite: The Pavlovian nature of human appetitive behaviour’.

Eerste en laatste 1000 dagen

“In de eerste 1000 dagen is het systeem echter relatief simpel”, stelt Havermans. “Er zijn dan in principe alleen het kind en de ouders.” Ze hebben besloten vooral te kijken naar de eerste en laatste 1000 dagen van de jeugd: van conceptie tot circa twee jaar, en het einde van de puberteit, het moment dat groepsdruk en reclame invloedrijke factoren zijn, net zoals de opleiding van de ouders en hun financiële situatie.

“We brengen onze expertise bij elkaar om de interactie tussen lichaam en geest te bestuderen”, voegt Van Mil daaraan toe. Hij zal zich bij zijn klinisch onderzoek vooral richten op relatief zeldzame omstandigheden. “Als dokter probeer je te onderzoeken wat er verkeerd is gegaan en hoe je dat kunt oplossen. Wij gebruiken ziektes als model. Bijvoorbeeld om diabetes onder controle te krijgen en die kennis gebruiken we vervolgens om mensen gezond te houden.”

Wat werkt?

Havermans richt zich vooral op de gedragscomponent van het eten: waarom eten we wat we eten? Pubers, bijvoorbeeld, eten veel te weinig fruit. “Ze zijn niet geïnteresseerd in hun gezondheid, dus het is niet zinvol om uit te leggen wat gezond is en wat niet. Pubers zijn vooral bezig om hun vrijheid te bevechten, zelfstandig te worden en hun eigen keuzes te maken”, zegt Havermans. “Ik ga ervanuit dat de oplossing bij pubers ligt in het aantrekkelijker maken van gezond voedsel, maar we moeten nog testen of het aanbieden van meer gezonde alternatieven hun gedrag gaat veranderen.”
Dankzij de samenwerking met Van Mil kan Havermans nu de klinische resultaten testen van de interventies die hij heeft bedacht. Bijvoorbeeld: zelfs als pubers verleid kunnen worden om meer fruit te eten, zal dit dan hun gezondheid daadwerkelijk verbeteren? “Als psycholoog kijk je altijd naar gedragsverandering, maar nu ik Edgars expertise kan inzetten, kan ik echt meten welk effect gedragsverandering heeft op het lichaam van mensen.”

Als vaders beschrijven beide professoren zichzelf als “net zo gefrustreerd en bezorgd als andere ouders.” Ze zijn gemotiveerd om ouders te helpen betere beslissingen te nemen als het om voedsel gaat, zodat er een omgeving ontstaat waarin ouders en kinderen gezonder gaan eten.
Ondanks alle eensgezindheid tot nu toe, zijn ze het (nog) niet eens over een essentiële vraag: de culinaire waarde van de oerhollandse frikandel. Havermans waardeert de frikandel, Van Mil niet.

Edgar van Mil is kinderarts en endocrinoloog, gespecialiseerd in diabetes en endocrinologie bij het Jeroen Bosch Ziekenhuis, waar hij het Obesitas Lifestyle Interventiecentrum oprichtte (nu het Centrum voor Gezonde Levensstijl). Hij is voorzitter van diverse werkgroepen op het gebied van obesitas en co-auteur van een boek dat de inspiratie vormt voor een nationaal netwerk en interdisciplinaire benadering van kinderen met overgewicht.

Door: Florian Raith (tekst), Paul van der Veer (fotografie)