20 maart 2019

Kinderopvangtoeslag voor elke promovendus

Inmiddels zijn meerdere gevallen bekend: beurspromovendi waaraan geen kinderopvangtoeslag wordt verleend. Onlangs heeft minister Van Engelshoven van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Kamervragen beantwoord over het recht op kinderopvangtoeslag voor promovendi. In deze beantwoording sluit zij aan bij de bekende argumenten van de Belastingdienst. Expertisecentrum ITEM trekt deze argumenten in twijfel op basis van Europees recht.

Benadeling beurspromovendi door focus op arbeidsrelatie

Zowel op de TU Delft als op de Universiteit van Maastricht zijn meerdere beurspromovendi geweest, die een aanvraag bij de Belastingdienst voor kinderopvangtoeslag hebben gedaan. Lees hiervoor ook de voorgaande nieuwsberichten van Expertisecentrum ITEM en de Observant. Enkele jaren na de initiële aanvraag is vervolgens vastgesteld dat zij daar geen recht op hebben, met als gevolg dat ze vele duizenden euro’s moeten terugbetalen.

Deze beurspromovendi hebben een beurs ontvangen van buitenlandse instantie, waarmee aan de Nederlandse universiteiten onderzoek wordt gedaan. Door deze constructie, vallen beurspromovendi tussen wal en schip voor de kinderopvangtoeslag. Voor het recht op de kinderopvangtoeslag dient namelijk sprake te zijn van belastbare arbeid, ofwel, in het geval van een promovendus, een aanstelling of arbeidsovereenkomst tussen de promovendus en universiteit. Hiervan is sprake als de werknemer (promovendus) gedurende een zekere tijd (1) arbeid verrichtwaarvoor de werkgever (universiteit) (2) loon betaalt en er tussen werknemer en werkgever een (3) gezagsverhoudingbestaat. 

De werknemer-promovendus wordt door de universiteit aangesteld en betaald en voldoet daarmee aan de drie eisen. Met betrekking tot de promotiestudent heeft de Belastingdienst bepaald dat sprake is van fictief werknemerschap. Voor de buitenpromovendi hangt het ervan af wat de precieze constructie is. De enige die momenteel vrijwel altijd buiten de boot vallen zijn de beurspromovendi. Beurspromovendi hebben weliswaar geen arbeidsovereenkomst met de universiteit waar de promotie wordt afgerond, maar wel een contract met als hoofddoelstelling te promoveren[1]. Hierdoor is het recht op kinderopvangtoeslag onzeker. Minister Van Engelshoven geeft aan dat wel recht op kinderopvangtoeslag bestaat als er sprake is van een andersoortig dienstverband of, fiscaal gezien, een fictieve dienstbetrekking tussen de beurspromovendus en universiteit. Of hier sprake van is, ligt aan de feitelijke invulling van de relatie, waaruit een gezagsverhouding kan blijken. Dit is bepalend voor de fiscale behandeling en daarmee de kinderopvangtoeslag.

In strijd met EU-recht

Volgens Expertisecentrum ITEM is de focus van minister Van Engelshoven en de Belastingdienst op de puur juridische relatie tussen promovendus en universiteit en de gezagsverhouding voor de verlening van kinderopvangtoeslag onterecht. Europees recht is namelijk van toepassing in het geval van de kinderopvangtoeslag. Een richtlijn van de EU kent het recht op gelijke behandeling met onderdanen van de gastlidstaat toe aan alle houders van een verblijfsvergunning als ‘onderzoeker’. Ongeacht de feitelijke relatie tussen promovendus en universiteit, dient de beurspromovendus (voornamelijk personen met een niet-Nederlandse nationaliteit), als houder van een verblijfsvergunning, dus dezelfde voordelen, zoals de kinderopvangtoeslag, te krijgen als de werknemer-promovendus (een categorie met voornamelijk personen met de Nederlandse nationaliteit). 

Volgens ITEM-onderzoeker A. Hoogenboom, gepromoveerd in Europees recht, heeft de Europese wetgever er bewust voor gekozen om de sociale en economische rechten van onderzoekers uit derde landen gelijk te stellen aan die van onderzoekers binnen de EU om meer onderzoekers uit derde landen aan te trekken. Het is in het belang van de Europese Onderzoeksruimte om een ruimte met vrij verkeer voor onderzoekers, wetenschappelijke kennis en technologie te faciliteren. Dit wordt momenteel door de Nederlandse systematiek van de kinderopvangtoeslag belemmerd. Daarnaast is een gelijke behandeling wenselijk, gezien alle promovendi, ongeacht de kwalificatie, arbeid verrichten in de vorm van onderzoek en het schrijven van een proefschrift.

Voortgang proefproces

Expertisecentrum ITEM heeft de zaak als proefproces op zich genomen, die in september 2017 van start is gegaan. De zaak is recentelijk heropend en verwezen naar een meervoudige kamer. De tweede mondelinge behandeling volgt naar verwachting in het voorjaar.

Verder is de VSNU (Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten) is een onderzoek gestart naar de verschillende soorten promovendi bij Nederlandse universiteiten. Tevens loopt een evaluatie van het experiment promotiestudent. Minister Van Engelshoven heeft aangegeven op basis van deze resultaten een visie ten aanzien van het stelsel van promovendi op te stellen. Expertisecentrum ITEM benadrukt om hierbij de Europese Onderzoeksruimte en richtlijnen niet uit het oog te verliezen.

 

[1]https://www.vsnu.nl/files/documenten/Feiten_en_Cijfers/VSNU_Definitieafspraken_onderzoeksinzet_en_output_KUOZ.PDF p. 11