Gezonder eten en meer bewegen: leefstijl is een totaalpakket
Welke leefstijlfactoren zorgen na de behandeling van dikkedarmkanker voor een betere kwaliteit van leven? En welke zijn van belang om klachten na behandeling te verminderen of voorkomen? Dat zijn de belangrijke vragen in het onderzoek van epidemioloog en universitair hoofddocent dr. Martijn Bours (GROW). Bours: “We zien dat kleine beetjes aanpassen in leefstijl al zin heeft. Ik hoop met mijn onderzoek iets zinvols te bieden aan de mensen die darmkanker hebben en hebben gehad. Dat zij daarna gezonder, beter en gelukkiger leven. Ik ben er trots op met mijn onderzoek hier aan bij te kunnen dragen”.
Martijn Bours stapte in 2010 over naar de groep van professor Matty Weijenberg met wie hij een groot onderzoek startte naar darmkanker, in het bijzonder de gevolgen van dikkedarmkanker (of: colorectaalkanker). De naam van deze studie - EnCoRe (Energie voor het leven na ColoRectaalkanker) - was bedacht om een toegift op het leven na kanker te benadrukken. Martijn Bours: “Ons onderzoek gaat niet direct over hoe je dikkedarmkanker kunt voorkomen maar over het vinden van de leefstijlfactoren die belangrijk zijn om de kwaliteit van leven te verbeteren en klachten na behandeling te verminderen. We geven in ons onderzoek zelf geen behandeling en geen adviezen over wat mensen zouden moeten doen, maar kijken naar wat hun leefstijl is en welk verband dat laat zien met hoe ze zich voelen. We weten steeds meer, maar er is nog veel onbekend. Lang was de groep mensen die de kanker had overleefd een wat vergeten groep: je wordt behandeld en dan is het klaar. Maar veel mensen houden klachten en zitten met vragen. Door ons onderzoek kunnen we hen en toekomstige patiënten perspectief bieden. En we dragen met onze resultaten bij aan het verbeteren van leefstijladviezen, omdat we die, dankzij het onderzoek, steeds gerichter kunnen maken”.
Martijn Bours: “Na de behandeling zien we dat veel mensen nog jaren klachten houden: vermoeidheidsklachten, klachten door zenuwschade, angsten en depressieve gevoelens en dat ze moeite hebben met het terugkeren naar hun normale leven. Dat heeft allemaal invloed op de kwaliteit van leven. In ons onderzoek volgen we patiënten die te horen hebben gekregen dat ze dikkedarmkanker hebben tot 5 jaar na afloop van hun behandeling. We meten hun leefstijl door te vragen naar wat ze eten, wanneer ze eten, hoeveel ze eten, wat ze doen aan beweging en of ze veel zitten. Verder kijken we onder andere ook naar lichaamssamenstelling, naar slaap en stress en doen metingen in het bloed; heel breed dus. Uit alle data die we verzamelen leren we hoe die factoren samenhangen met de gevolgen van de diagnose, de ziekte en de behandeling van dikkedarmkanker. Intussen hebben we ongeveer 700 mensen in ons onderzoek. We zijn nu nog bezig met follow-upmetingen en verwachten in 2029 of 2030 de laatste metingen te doen”.
We zien dat alle beetjes helpen. Bewegen hoeft niet drie keer per week een bezoek aan de sportschool te zijn: mensen hebben al profijt als ze af en toe opstaan en een rondje lopen.
Resultaten en verbanden
Martijn Bours: “We weten dat het moeilijk is om je leefstijl te veranderen, maar een ernstige ziekte als dikkedarmkanker is vaak wel een trigger om er mee aan de slag te gaan. De laatste jaren heeft ons onderzoek al heel wat interessante resultaten opgeleverd. Zo weten we nu dat mensen die actiever zijn (ook lichte fysieke activiteiten doen, vaker staan en minder zitten) zich beter voelen dan de mensen met een minder actieve leefstijl. Dat geldt ook voor mensen die meer groente en fruit en minder bewerkte en energierijke voedingsproducten eten. Zij hebben minder vermoeidheidsklachten, een betere kwaliteit van leven en een beter fysiek functioneren. We komen ook verbanden tegen die opvallend zijn en in eerste instantie tegenstrijdig lijken, zoals dat mensen die matig alcohol drinken zich wat beter voelen. Dat is niet te verklaren door het biologische effect van alcohol, en zeker geen vrijbrief voor (meer) alcoholgebruik. We denken dat dit een weerspiegeling is van het weer terugkeren naar het normale leven na een intensieve behandelperiode, inclusief sociale activiteiten die soms gepaard gaan met bijvoorbeeld een glas wijn. Het werkt dus niet lichamelijk echt beter, maar lijkt samen te gaan met het oppakken van het leven na kanker. Iets anders opvallends zagen we bij het gebruik van voedingssupplementen. In de periode na de behandeling gebruikte ongeveer 4 op de 10 mensen een voedingssupplement, zoals multivitaminen of mineralen. Diezelfde mensen gaven vaker aan dat ze vermoeidheidsklachten hadden. Dat wees erop dat mensen juist supplementen gingen gebruiken als manier om met de klachten om te gaan, maar zich daar niet beter door gingen voelen. Gebruik van voedingssupplementen wordt in algemene richtlijnen voor mensen die herstellen na kanker dan ook niet aanbevolen, tenzij voorgeschreven door een arts of volgens landelijke richtlijnen (bijvoorbeeld vitamine D voor ouderen). Als je gezond en gevarieerd eet heb je vitaminetabletten eigenlijk helemaal niet nodig”.
“Een belangrijk inzicht is dat mensen al met kleine aanpassingen iets bereiken. Je hoeft niet meteen je hele leefstijlpatroon om te gooien: alle kleine beetjes helpen. Meer bewegen hoeft niet drie keer per week een intensief bezoek aan de sportschool te betekenen. Mensen hebben al profijt als ze minder zitten en af en toe opstaan om een (korte) wandeling te maken. Geen big bang. Ook is er veel te winnen door een combinatie van aanpassingen. Als je alleen iets meer groente en fruit gaat eten heeft dat geen spectaculair effect, maar als je daarbij ook wat minder bewerkt vlees eet én je beweegt wat meer dan telt het op en kunnen mensen zich echt beter gaan voelen. Het gaat om de combinatie. Leefstijl is een totaalpakket”.
Timing en chronotype
Martijn Bours: “Een nieuwer thema waar we de laatste jaren in de relatie tussen voeding, beweging en onder andere vermoeidheid naar kijken is ‘timing’. Behalve wat en hoeveel je eet en doet, maakt het namelijk uit wanneer je eet of beweegt, hoe vaak je dat doet en hoe regelmatig dat is. Mensen met regelmatigere voedings- en beweegpatronen lijken minder vermoeidheidsklachten en een betere kwaliteit van leven te ervaren. En bovendien lijkt iemands chronotype mogelijk een rol te spelen, dus of je meer een ochtend- of een avondmens bent. Het ziet ernaar uit dat het beter is als je eet- en beweeggedrag ongeveer gelijkloopt met je natuurlijke lichaamsritme, je biologische klok. Timing van eten en bewegen is een interessant en relatief nieuw gebied waar we nog verder onderzoek naar moeten doen”.
Als ik onderwijs ga geven, loop ik door het ziekenhuis en wat mij dan telkens weer opvalt is dat je moet zoeken naar de trap.
Persoonlijke drive
Martijn Bours: “De meeste mensen hebben in hun persoonlijke kring van familie en vrienden helaas wel iets meegemaakt met kanker, en dat geldt ook voor mij. Ik heb mijn moeder jong verloren aan dikkedarmkanker. De impact van zo’n diagnose is enorm. Mijn moeder was van de een op de andere dag een andere persoon. Haar ziekte had veel invloed op ons gezin. Ik was vooraan in de 20 toen mijn moeder overleed en zij was toen maar iets ouder dan ik nu ben. Dat is een vreemde gewaarwording. Voor mij is dit een persoonlijke drive bij het onderzoek dat ik doe. Ik hoop met mijn onderzoek bij te dragen aan de levens van mensen die darmkanker hebben en hebben gehad. Dat zij daarna gezonder, beter en gelukkiger leven, samen met hun naasten. Ik zie het als mijn taak om mensen te wijzen op het belang van een gezonde leefstijl na kanker en ze te helpen om niet bij de pakken neer te gaan zitten. Dat ze zich echt beter gaan en blijven voelen. Ik ben er trots op dat ik door mijn onderzoek hier een steentje aan kan bijdragen”.
Primaire preventie
Martijn Bours: “Mijn onderzoek gaat niet over leefstijl als primaire preventie die gericht is op de algemene bevolking die niet ziek is. Maar primaire preventie is cruciaal, omdat veel vormen van kanker te voorkomen zijn. Ook het ziekenhuis speelt hier een belangrijke rol in. Wat mij betreft mag er in ziekenhuizen meer aandacht zijn voor gezonde leefstijl, zoals het projecteren van leefstijladviezen om kanker te voorkomen op de beeldschermen. Dergelijke adviezen helpen overigens ook om andere ziekten te voorkomen, zoals diabetes en hart- en vaatziekten. Meerdere vliegen in een klap dus. Als ik bijvoorbeeld onderwijs ga geven, loop ik door het ziekenhuis en wat mij dan telkens weer opvalt is dat je moet zoeken waar de trap is. Het zijn kleine dingen, en natuurlijk is de preventieboodschap buiten het ziekenhuis nog veel noodzakelijker, maar toch: het ziekenhuis is een gezondheidscentrum. Draag dat wat meer uit!”.
Tekst: Eline Dekker
Foto: Joey Roberts
Lees ook
-
De kracht van preventie: zet een fietshelm op
Neuropsychiater David Linden pleit voor fietshelmen en benadrukt het belang van preventie tegen hersenletsel.
-
De vertraagde diagnose van endometriose
In Honours+ ervaren studenten voor het eerst hoe ze (wereldwijde) uitdagingen in een interdisciplinaire omgeving moeten aanpakken, onder professionele begeleiding van medewerkers van Universiteit Maastricht.
-
Een identiteitskaart maken met DNA
Onderzoekers kunnen aan een paar letters in je genoom zien hoe oud je ongeveer bent en of je rookt of gerookt hebt. Athina Vidaki gebruikt deze genetische technieken om te helpen bij het oplossen van seksuele misdrijven.