10 mei 2019
Intervisie voor coschappers

Verder dan stoere verhalen bij de koffiemachine

Na drie jaar vooral veel theorie en vaardigheidstrainingen, dan tijdens de master Geneeskunde eindelijk de praktijk in. Een mooie, maar ook een intensieve, pittige tijd. Coassistenten houden hun ervaringen bij in een portfolio en bespreken hun voortgang met een mentor. Daarnaast hebben ze sinds dit academisch jaar, onder begeleiding van een coach, ook reflecterende bijeenkomsten met andere coassistenten over de hiërarchie, de verantwoordelijkheden en onzekerheden, de vaak toch wel lange dagen, de tegenslagen en succesjes. Zonder beoordeling, zonder hiërarchische verhoudingen. Oftewel: intervisie.

Caubergh: “De meeste studenten ervaren de masterfase als een leuke tijd, maar tegelijkertijd is het ook een beetje eng. Ze zitten allemaal in hetzelfde schuitje en dan is het fijn om dingen met elkaar te delen, zich in elkaars verhalen te herkennen, elkaar tips te geven en elkaar te steunen. Ze weten niet wat er van ze wordt verwacht tijdens een coschap. Moeten ze zich assertief opstellen en hun mening geven of moeten ze juist luisteren? En wat is normaal?” Van den Eertwegh geeft een voorbeeld: “Een coassistent was bijna flauwgevallen tijdens het steriel staan op de OK; is dat zwak of normaal? Dat zijn allemaal dingen die ze liever niet met hun werkplekbegeleider bespreken. Omdat ze onzeker zijn, of de begeleider er niet mee willen lastigvallen, of omdat ze niet het achterste van hun tong durven te laten zien bij degene die hen moet beoordelen. We hebben er dan ook bewust voor gekozen dat ze niet beoordeeld worden bij intervisie. Zodat ze zich kwetsbaar durven op te stellen en open en eerlijk durven te praten.”

Steun en bewustwording

Maar het is meer dan een support group. “Door met elkaar te praten over hun ervaringen, worden ze zich ook bewuster van hun eigen gedrag,” legt Van den Eertwegh uit. “Door zichzelf vragen te stellen als “hoe zou ik hebben gereageerd in die situatie” en “zou ik het een volgende keer anders aanpakken”, vertalen ze de casus naar hun eigen gedrag. Op die manier worden bewustwordings- en ontwikkelprocessen in werking gezet. De coaches hebben daarin niet een docerende, maar een faciliterende rol.” Caubergh vult aan: “Als coach stel je bijvoorbeeld prikkelende vragen om het groepsproces te stimuleren of om meer diepgang in het gesprek te krijgen. Je wilt verder gaan dan de stoere verhalen bij het koffiezetapparaat. Het is dus niet zo dat wij van hen vragen om het de volgende keer zo en zo te doen, wij zijn alleen het middel tot persoonlijke en professionele ontwikkeling.”

Aanvulling op werkplekbegeleiding

“Je moet dit trouwens niet zien als een vervanging van de gesprekken tussen coassistenten en mentor en werkplekbegeleiders,” vertelt Smeenk, “maar als een aanvulling. Studenten leren heel veel op de werkplek en van de feedback van de mentor. Aanvullend kunnen werkplekbegeleiders en mentoren - maar ook studieadviseurs, docenten of een portfoliocommissie - nu bijvoorbeeld ook nog aan een student voorstellen een bepaalde casus te bespreken tijdens intervisie. Zo kunnen we elkaar versterken.”

Incidentmethode

De methodiek die wordt gebruikt om de intervisie vorm te geven is de incidentmethode. Deze bestaat uit vier stappen. Een student brengt een casus in over een moeilijke situatie of samenwerking. Iets dat hem of haar bezighoudt of emotioneel heeft geraakt. Na de casus te hebben omschreven, stelt de casusinbrenger een vraag: “Hoe kan ik…?” Vervolgens verzamelen de andere groepsleden feiten door vragen te stellen; zonder oordeel, mening of advies. Als derde stap analyseert de groep de kern van het probleem. De inbrenger doet hier niet aan mee, maar geeft aan het einde wel aan waar hij/zij verder mee wil gaan. Ten slotte geeft ieder groepslid advies aan de inbrenger. En ieder schrijft voor zichzelf op welk eigeninzicht ze hebben verkregen.

Smeenk: “We hebben voor deze methode gekozen, omdat die in de gezondheidszorg veel wordt gebruikt. Onze studenten moeten ook in hun toekomstige beroep als huisarts of specialist gaan reflecteren op hun handelen, waarschijnlijk aan de hand van deze methode. Ook daarom is het raadzaam dat studenten al tijdens hun basisopleiding leren zelfreflectie te ontwikkelen en onderhouden, bij voorkeur met de incidentmethode. Dan komen ze wat intervisie en reflectie betreft straks goed beslagen te ijs.”

Het fijne aan deze intervisiebijeenkomsten is dat je merkt dat je niet als enige tegen verschillende ‘problemen’ aanloopt. Al snel wordt duidelijk dat je niet de enige bent die weleens aan zichzelf twijfelt of een moeizame werkdag heeft. Maar het gaat verder dan alleen ervaringen delen. Je hoort dat andere coassistenten heel anders met een vergelijkbare situatie zijn omgegaan; het kan heel verhelderend zijn om daarover te discussiëren. Op die manier kan iedere student eruit halen wat voor hem/haar van toepassing is.                 Je praat normaal gesproken ook wel met je medestudenten over de dagelijkse bezigheden en ervaringen op de werkplek. Echter blijft dit veelal oppervlakkig. Gedurende de intervisiebijeenkomsten wordt getracht aan de hand van een vaste structuur meer verdieping in de vraagstukken te krijgen. Dit wordt in goede banen geleid met behulp van onze coach. Als we op de goede weg zijn, staat de coach op de achtergrond. Wanneer we echter afdwalen of niet verder komen, wordt de rol van de coach groter.
Max Scheepers, coassistent

Nieuwe coaches gezocht

Op dit moment heeft pas 1 jaargang studenten intervisiebijeenkomsten. Dat zijn 44 groepen die begeleid worden door 15 coaches. Wanneer drie jaargangen parellel intervisie lopen, komt dat neer op 120 tot 130 intervisiegroepen. Nieuwe coaches die al ervaring hebben met intervisie of het begeleiden van groepen zijn dan ook nodig. Wie interesse heeft, kan zich aanmelden bij Anke Smeenk, anke.smeenk[at]maastrichtuniversity[dot]nl

Door: Marion Stijnen