4 juli 2019

“Van Europa lig ik eerder wakker dan van mijn werk”

Ze is politicoloog, met een groot hart voor de kunst. Dol op chocolade, net als haar vader en grootvader. Heimelijk ambitieus, net als haar zoon. Een vernederlandste Belg, een teamspeler pur sang, een goede slaper en een luisteraar. “Als ik ernaar gevraagd word, wil ik best iets vertellen over mezelf. Maar de meeste mensen praten graag.” Een verslag van twee uur luisteren naar Sophie Vanhoonacker, decaan van de Faculteit der Cultuur- en Maatschappijwetenschappen.

sophie vanhoonacker

Het was 1984, net voor de Europese eenheidsakte, toen ze er begon aan European Studies. “Het was een soort reveil van Europa: een soort positieve flow van hernieuwde aandacht voor Europese integratie, waarvan ik eigenlijk mijn hele carrière zou profiteren.” Het idee van Europese samenwerking over grenzen heen, boeide haar. De nieuwsgierigheid naar andere culturen, andere literatuur, andere talen, ander eten, werd vanuit thuis ook gestimuleerd. Maar ook het vredesproject dat Europa was, sprak tot haar verbeelding.

Onderzoeker in Maastricht

Wat ze beroepsmatig na haar studie wilde gaan doen, stond lange tijd niet vast. “Ik wilde geen docent geschiedenis op een middelbare school worden, dat leek me te beperkt.” Vanwege haar interesse in Europese cultuur werd haar geadviseerd eens contact op te nemen met het EIPA in Maastricht, het European Institute of Public Administration. En zo werd ze de assistent van de Griekse Panos Tsakaloyannis die zich bezighield met Europees buitenlands beleid en veiligheid. De taken waren velerlei. Ze gaf onder andere trainingen aan hoge ambtenaren van lidstaten die het voorzitterschap van de Raad van de EU op zich zouden nemen. Ze organiseerden conferenties en deden onderzoek. “Het was het tijdperk zonder internet, zonder veel stress. Dan kwam je ’s ochtends op kantoor en zei hij: ‘Wat gaan we vandaag doen? Weet je wat, lees hier maar eens een paar stukken over’. Onder zijn begeleiding publiceerde ik mijn eerste artikelen.”
Onderzoek doen vond ze boeiend en ze leerde al snel dat als ze verder wilde in de wetenschap, ze een proefschrift moest schrijven. Dus dat deed ze, als buitenpromovendus in Leiden, naast haar werk bij het EIPA, deels in vakantietijd. “Ik had geen duidelijk beeld van waar ik naartoe wilde, maar ik bereidde me wel voor op een mogelijke vervolgstap.”

Kansen aan de UM

Die kwam in 2001, toen de bachelor European Studies aan de UM opgezet ging worden en er een aantal vacatures waren. Ze werd aangenomen en genoot met volle teugen van het complementaire team dat samen deze unieke bachelor op poten mocht zetten. “De timing was goed. Europa groeide en bloeide, dus er was een mooi toekomstperspectief voor studenten.” Dat er geen enkele vrouwelijke hoogleraar aan de faculteit zat toen ze er begon, was haar eigenlijk niet eens opgevallen. Ook in haar studietijd zag ze nooit een vrouwelijke docent. “We wisten niet beter.” De vorige decaan stelde een aantal leerstoelen in voor vrouwelijke talenten en Vanhoonacker was er één van. In vijf jaar tijd mocht ze zich bewijzen op een aantal criteria, waarvan ze op voorhand dacht: ga ik dat allemaal kunnen? “Maar door daarnaartoe te werken, oversteeg je jezelf.”
Twee jaar na haar benoeming werd ze voorzitter van de vakgroep Politicologie. Daar ontdekte ze het belang van personeelszaken, waarmee alles volgens haar staat of valt. Ze deed het tot ze de positie van decaan aanvaardde, in 2016. Enige aarzeling ging daar wel aan vooraf. “Ik was bang mijn onderzoek te veel te missen, maar voelde ook een soort plichtsbesef.” Ze besefte dat dat niet voldoende zou zijn om het vier jaar vol te houden. Zoals altijd, als ze een belangrijke beslissing moet nemen, ging ze te rade bij veel verschillende mensen die ze wijs acht. Alle adviezen tezamen leidden naar de conclusie, waarbij de tip ‘je kunt het doen op de manier die bij je past’ de doorslag gaf.

Team-spelende peoplesmanager

En dus probeert ze zoveel mogelijk te besturen in goed overleg, met haar bestuursleden of andere deskundigen, desnoods extern. Om te bepalen welke richting de nieuwe, derde bacheloropleiding van de faculteit op moest, schreef ze, samen met vice-decaan onderwijs Jessica Mesman en vice-decaan onderzoek Kiran Patel, een ‘open call’ uit in de faculteit. Na een uitgebreid proces van wikken, wegen en onderzoek, werd het Digital Society. Door te werken met een collegiaal bestuur  voelt ze zich nooit eenzaam ‘aan de top’. “Integendeel, ik voel heel veel handen om me heen.”
Als ‘peoplesmanager’, met veel oog voor de persoon achter de collega, begrijpt ze heel goed dat niet al haar beslissingen iedereen gelukkig maken. “Als decaan moet je aan de organisatie denken. Ik slaap er geen nacht minder om, misschien omdat ik zo moe ben”, lacht ze. “Maar vooral omdat ik alles zo eerlijk en transparant mogelijk probeer te doen.” Ze kan heel veel invoelen in anderen en haar grens is niet snel bereikt. Er wordt van haar gezegd dat ze haar tanden kan laten zien, hoewel weinigen er getuige van zijn geweest. Ze lacht erom. “Als ik het gevoel krijgt dat iemand misbruik van me maakt, zeg ik heel duidelijk dat ze nu te ver gaan. Dan is het meteen duidelijk.”

Carrière uit verantwoordelijkheid

Thuis praat ze niet veel over haar werk, hoewel haar man (hoogleraar architectuur in Luik en voormalig decaan) de nodige relevante ervaring heeft. “Ik heb mijn klankbord op de faculteit”. Dat haar man lang heeft gestudeerd en dus thuis was bij hun zoon Gil, heeft haar ruimte gegeven om carrière te maken. “Omdat ik lang kostwinnaar was, voelde ik ook een soort verantwoordelijkheid om ambitieus te zijn.” Of zit het toch ook in haar karakter? “Een leerkracht van mijn zoon zei ooit dat hij ‘heimelijk ambitieus’ was. Toen dacht ik: Dat ben ik misschien ook wel. Hij is een coole skater. Hij lijkt nonchalant, maar tegelijkertijd doet hij het heel goed op het University College Utrecht en zorgt hij dat hij zijn werk op orde heeft.” Vanaf jonge leeftijd verbaasde ze zich over zijn zelfstandigheid. Toen hij op zijn twaalfde op de fiets vertrok naar het skatepark, vol zestienjarigen, mocht ze natuurlijk niet mee. “Dan stelde ik me achter een boom op, om stiekem te kijken of er geen ongelukken gebeurden.”
Terwijl zij en haar man Vlaams zijn, noemt ze haar zoon ‘vooral Nederlander’. Zelf is ze ook directer geworden sinds ze in 1987 hierheen verhuisde. Ze geniet van het internationale, open karakter van de Nederlandse universiteiten. “Ik weet niet of ik makkelijk weer in België zou kunnen aarden.” Dat hoeft ook niet natuurlijk. Ze lacht hartelijk bij de opmerking dat ze zich wellicht zorgen moet maken, als haar stijgende carrière altijd een soort spiegel was van de Europese ontwikkeling. “Over Europa kan ik eerder wakker liggen momenteel dan om mijn werk. Maar dat maakt het des te interessanter om mijn onderzoek na het decanaat te hervatten.”

Door: Femke Kools (tekst), Harry Heuts (fotografie)