Zijn Europese onderzoekprogramma’s interessant voor de UM?

21 september 2018
door: 
Wolters in FHML

In juni jl. presenteerde de Europese Commissie (EC) met veel publiciteit haar voorstel voor het nieuwe kaderprogramma voor onderzoek en innovatie: Horizon Europe 2021-2027. Zeer veel belangenorganisaties, stakeholders en individuen hebben op de plannen gereageerd. Bijna alle reacties zeggen dat er te weinig budget is voor de grote ambities. Dat betekent dat ook in het nieuwe kaderprogramma de slagingspercentages van de aanvragen laag zullen zijn. Staan de baten van Europese projecten nog in verhouding tot de tijd en kosten die nodig zijn om met succes aanvragen in te dienen?

Horizon Europe 2021-2027 bouwt voort op de structuur en het succes van het lopende kaderprogramma. De structuur met drie pijlers blijft:

Pijler 1. Open Science incl. European Research Council (ERC) en Marie Sklodowska-Curie Actions (MSCA),

Pijler 2. Global Challenges and Industrial Competitiveness,

Pijler 3. Open Innovation incl. European Innovation Council (EIC) en European Institute for Innovation and Technology (EIT).

De ERC en MSCA instrumenten zijn een groot succes en komen in de Horizon Europe Pijler 1 met meer budget terug. Nieuw zijn de missies in Pijler 2: omvangrijke consortia die multidisciplinair en multisectorieel zeer ambitieuze oplossingen voor grote maatschappelijke vraagstukken gaan bedenken. Nieuw is ook EIC dat zich gaat richten op individuele commerciële innovators.

Het Horizon Europe budget van bijna 100 miljard euro gaat naar vooral de drie genoemde pijlers. Daarnaast is er budget voor aanvullend beleid.

De grote universiteiten in Noordwest-Europa vragen meer budget voor de beurzen van de ERC en MSCA. De associatie van de meeste universiteiten in Europa pleit voor meer maatregelen om de verschillen tussen de EU-lidstaten in het gebruik van het kaderprogramma te verkleinen. De organisatie van onderzoek- en technologieorganisaties wijst op het belang van meer middelen voor publiek private partnerschappen. De academies van wetenschappen willen meer investeringen in trans-disciplinair onderzoek met maatschappelijke uitdagingen.

Bijna iedereen vindt het voorgestelde budget van 100 miljard euro voor Horizon Europe te weinig. Het is onwaarschijnlijk dat de EU-lidstaten een hoger budget zullen goedkeuren. 

Nederlandse wetenschappelijke instellingen zijn actief in Europese koepels om de grote belangen van Nederland te behartigen. Het huidige kaderprogramma Horizon 2020 (H2020) laat zien dat Nederland halverwege de looptijd ongeveer 2,2 miljard euro heeft ontvangen. Daarmee staat Nederland op de zesde plaats, direct na de grote EU-lidstaten. Dit is nog meer bijzonder als bedacht wordt dat dit aandeel bijna acht procent van de beschikbare middelen van H2020 betreft en Nederland minder dan vijf procent van H2020 financiert.

Het gemiddelde slagingspercentage in het huidige kaderprogramma was bijna dertien procent. Nederland zit met een score van bijna zeventien procent in de kopgroep. Dit gemiddelde slagingspercentage nodigt niet uit om aan H2020 deel te nemen. Het is echter onbekend dat het slagingspercentage van aanvragen met een score boven de minimum drempelwaarde veel hoger dan het gemiddelde slagingspercentage ligt. 

Halverwege de looptijd van H2020 is al duidelijk dat Maastricht University (UM) de doelen gaat halen die aan het begin van H2020 zijn gesteld. Dat betreft zowel het aantal gehonoreerde projecten van meer dan vijfentwintig per jaar, waaronder het aantal ERC-beurzen, als de inkomsten van meer dan tien miljoen euro per jaar. Het UM slagingspercentage ligt onder het landelijke gemiddelde. De UM scoort beter met ERC- en MSCA-beurzen.

De meeste aanvragen worden ingediend en gehonoreerd onder het thema Health. De UM doet het met een beperkt aantal aanvragen opvallend goed in de thema’s energie en in het Industrial Leadership programma, onderdeel Nanotechnologies, Advanced Materials, Biotechnology, and Advanced Manufacturing and Processing.

De inkomstenstroom vanuit H2020 is voor de UM belangrijk. De ERC- en MSCA-beurzen zijn voor de internationale loopbaan van de individuele onderzoeker essentieel. Multidisciplinaire consortiumprojecten leveren nieuwe belangrijke contacten en netwerken op.  Europese kaderprogramma’s voor onderzoek en innovatie bieden veel meer dan financiële middelen, zeker aan een universiteit met internationale ambities.

De UM is ook actief in Europese programma’s die regionaal opereren, zoals Interreg en OP Zuid. Deze programma’s passen goed bij de maatschappelijke impact die de missie van de UM nastreeft. Bovendien stimuleren ze Euregionale samenwerking.  

De competitie om H2020 fondsen te werven is enorm. Ondanks de grote hoeveelheid werk om een projectvoorstel te schrijven en ondanks de lage slagingspercentages neemt het aantal aanvragen nog steeds toe. Het Horizon Europe budget van 100 miljard is te weinig om de slagingspercentages te laten stijgen. 

De grootste uitdaging van Horizon Europe wordt hoe de beste voorstellen uit tienduizenden aanvragen te selecteren. Hoe blijft Horizon Europe interessant voor de beste onderzoekers? 

Succesvol zijn in EU-programma’s kost veel tijd en energie. Steeds meer onderzoekers haken af.

Zijn Europese onderzoekprogramma’s interessant voor de UM? Is het realistisch dat UM ambitieuze doelstellingen voor Horizon Europe formuleert?

Mijn mening is: ja, mits onderzoekers en bestuurders aanvragen strategischer ontwikkelen en zij daarbij nog professioneler ondersteund worden. Bestuurders en onderzoekers kunnen beter geïnformeerd worden over wat de EU precies van projectvoorstellen verwacht en over met wie samen te werken. De discussie over hoe dat te doen moet nu gevoerd worden zodat de UM weet wat te doen als Horizon Europe van start gaat.

Reactie toevoegen