Asielprocedure: de kunst van het vragen stellen

Om een verblijfsvergunning te krijgen in Nederland, of elders in Europa, moeten asielzoekers een geloofwaardig verhaal vertellen over hun identiteit, land van herkomst en reden om te vluchten. De manier waarop asielambtenaren vragen stellen, blijkt echter niet altijd bij te dragen aan een goede toets van de werkelijkheid. Dat blijkt uit het proefschrift dat Tanja van Veldhuizen vrijdag 22 september verdedigt aan de Universiteit Maastricht. Een oplossing is het stellen van meer open vragen.

Hoe kwam u bij dit onderwerp terecht?
“Ik ben al langer geïnteresseerd in zaken als rechtvaardigheid, culturele verschillen en moraliteit. Als ik ooit een proefschrift zou schrijven, moest het over iets gaan dat me echt interesseerde en dat bovendien zinvol was voor de samenleving. Toen zag ik een oproep van het House of Legal Psychology, een samenwerking tussen de Universiteiten van Maastricht, Gothenburg en Portsmouth, voor onder meer dit promotieonderzoek. Dat is in mijn straatje, dacht ik meteen.”

Wat sprak u precies zo aan?
“De actualiteit van dit onderwerp, maar ook het feit dat rechtspsychologisch onderzoek naar het vreemdelingenrecht nog relatief schaars is. Terwijl de impact op individuen en de samenleving groot is. Nadat ik me een beeld had gevormd van de asielprocedure in Nederland en de diverse betrokken partijen, heb ik me gericht op de geloofwaardigheidsbeoordeling van verklaringen van asielzoekers. Hoe kun je dat verbeteren, want eigenlijk zijn mensen heel slecht in het onderscheiden wanneer iemand liegt of niet.”

Hoe wordt dat op dit moment beoordeeld?
“In Nederland, maar ook internationaal worden er vijf indicatoren gebruikt. Hoe gedetailleerd is de verklaring? Wordt deze consistent afgelegd op verschillende momenten? Zijn er overeenkomsten met verklaringen van andere getuigen in deze zaak? Komt het overeen met andere bronnen, bijvoorbeeld wat we weten van een land of stad? En ten slotte de plausibiliteit van een verhaal. Ik heb me vervolgens voornamelijk gericht op twee indicatoren: de gedetailleerdheid en de overeenkomst met informatie over het land van herkomst. En dan met name de rol van de vraagstelling in de kwaliteit van de verkregen informatie, want die was nog nooit systematisch onderzocht.”

Wat is er mis met die manier van vragen stellen?
“Ik zeg niet dat het fout is, maar er worden vrij veel gesloten vragen gesteld in de interviews met asielzoekers. Als iemand bijvoorbeeld zegt uit Eritrea te komen, luidt de vraag: ‘Waren er bergen in de omgeving?’ Dat vraagt niet om een uitgebreid antwoord. Als je iemand een open vraag stelt, zoals: ‘Beschrijf het landschap eens waar u vandaan komt’, dan kan iemand in zijn eigen woorden vertellen wat hij of zij weet. Dat levert nauwkeurigere informatie op. Bovendien vertellen mensen alleen over wat ze echt weten. Bij een gesloten vraag die ‘ja’ of ‘nee’ vereist, zijn mensen meer geneigd te gokken als ze het antwoord niet weten. Dat komt de validiteit en betrouwbaarheid van een verhaal niet ten goede. En als je een leugenachtig verhaal vertelt, is dit lastiger vol te houden wanneer je moet antwoorden op open vragen. Gesloten vragen zouden dus maar met mate moeten worden gebruikt.”

Waarom stellen asielambtenaren niet gewoon meer open vragen dan?
“Ik denk dat de werkdruk enerzijds een rol speelt, voortkomend uit bijvoorbeeld de toegenomen asielaanvragen. Maar vooral ook de manier van interviewen, met een tolk erbij en het mee moeten typen tijdens het gesprek, maakt dat asielambtenaren weinig tijd hebben voor reflectie. Gesloten vragen stellen is dan iets makkelijker dan open vragen.”

Welke oplossing stelt u voor?
“Het doel van mijn proefschrift is bij te dragen aan een zo optimaal mogelijk proces, zodat de beoordelingen van asielzoekersverhalen zo correct mogelijk zijn. Beginnen met een open vraag is dan een goed begin. Na het eerste vrije relaas kan er dan even pauze worden genomen, zodat de asielambtenaar rustig op een rijtje kan zetten welke aspecten van het verhaal nog wat uitgediept kunnen worden met nieuwe open vragen. Pas als je al veel informatie hebt verkregen, kun je dan met gesloten vragen nog wat zaken checken.”

U stelt ook dat de aard van de vragen vaak niet aansluit bij wat de meeste mensen weten over hun thuisomgeving. Wat bedoelt u precies?
“Het huidige idee bij immigratiediensten lijkt te zijn dat als je veel vragen stelt over de omgeving van herkomst, je wel achterhaalt of iemand daar echt vandaan komt of liegt. Uit een experimentele studie die ik heb gedaan, bleek dat beeld genuanceerd te moeten worden. Mensen die echt uit een bepaalde stad kwamen, beantwoordden maar enkele vragen meer correct over die stad, dan de groep mensen die er nooit waren geweest, maar voor het gesprek twintig minuten de tijd had gekregen om informatie bij elkaar te zoeken op internet. Soms weten mensen iets niet over hun eigen stad omdat ze er nooit aandacht aan hebben besteed. Of nooit in een bepaald gedeelte zijn geweest.”

Dus het toetsen van kennis leidt niet altijd tot de juiste beslissing?
“Nee, al is dat moeilijk te toetsen natuurlijk omdat we in veel gevallen geen zekerheid hebben over wat nu eigenlijk de waarheid is. Maar ik heb tien dossiers bestudeerd van afgewezen asielzoekers die claimden uit Eritrea te komen, maar op basis van de kennistoets niet geloofd werden. In zes van de tien gevallen kwam later alsnog een identiteitsdocument boven water waaruit bleek dat ze wel uit Eritrea kwamen. Uit dit kleine aantal kun je natuurlijk niet concluderen dat het ‘in zestig procent van de gevallen fout gaat’, maar het is wel een signaal dat er iets niet goed gaat in de procedures.”

Wat gaat er nu gebeuren met uw onderzoeksresultaten?
“Ik heb veel contacten gelegd met de immigratiediensten in Nederland, Zweden en Noorwegen voor mijn onderzoek en daar heb ik al regelmatig presentaties gegeven. De Nederlandse IND staat tot nu toe heel open voor de dialoog en zij zijn erg geïnteresseerd in mijn bevindingen. Op 21 september, een dag voor mijn promotie, is er een symposium in Maastricht waar wetenschap en praktijk samenkomen rond dit onderwerp. Ik praat liever mét de betrokkenen dan alleen óver hen, in de hoop dat de resultaten van waarde zijn voor de samenleving.”

Tekst: Femke Kools

Tanja van Veldhuizen

Op 22 september om 10 uur verdedigt Tanja van Veldhuizen haar proefschrift “Where I come from and how I got here: assessing credibility in asylum cases” aan de Universiteit Maastricht. Haar onderzoek wordt dan bekroond met een ‘joint degree’ van de UM en de University of Gothenburg. Haar promotoren zijn prof. dr. Peter van Koppen (UM) en prof. dr. Pär Anders. Granhag (Gothenburg), haar copromotoren zijn dr. Robert Horselenberg (UM) en dr. Sara Landström (Gothenbug). Sinds april 2017 werkt Van Veldhuizen als postdoc-onderzoeker bij de Universiteit Utrecht, bij het Montaigne Centrum voor Rechtspleging en Conflictoplossing.

Lees ook

  • Hoe gaan mensen met elkaar om op sociale media en andere online platforms? Hoe belanden ze in conflict? En het belangrijkste: hoe kunnen we voorkomen dat die discussies escaleren? Promovendus Maud Oostindie doet er onderzoek naar. En dan is ze ook nog het nieuwe ‘Face of Science’ van de Universiteit...

  • De Universiteit Maastricht draagt zorg voor veel markante gebouwen en kunstwerken. Door ze een nieuwe bestemming te geven, behouden we deze iconen en geven we ze een nieuwe invulling, waardoor ze het kloppende hart vormen van een bruisende stad. 

    Wist je dat deze gebouwen en kunstwerken ook toegang...

  • Alumnus Alessandro Portante rent twintig marathons in twintig dagen door de twintig regio's van zijn thuisland Italië, een uitdaging die hij Project Venti noemt.