“Het verhaal van de wijk is het startpunt voor integrale wijkzorg”
Een gezonde en vitale wijk ontstaat niet vanzelf. Volgens Arianne Elissen en Anne van den Bulck – beiden docent en onderzoeker aan de Universiteit Maastricht – is het daarom belangrijk dat professionals uit de zorg en andere domeinen binnen de wijk met elkaar én met inwoners samenwerken. Hoe je dit aanpakt, hebben ze onderzocht binnen het LIME*-project ‘Samen werk maken van gezonde wijken’. “Ga op zoek naar de burgemeester van de straat. Zo iemand is goud waard.”
De laatste jaren zie je dat veel mensen meerdere problemen tegelijk hebben. Denk aan gezondheids-, financiële, psychische en sociale problemen. Wijken krijgen daardoor te maken met complexe zorgvraagstukken. Huisartsen en wijkverpleegkundigen kunnen die problemen aanpakken door samen te werken met bijvoorbeeld maatschappelijk werkers, schuldhulpverleners, welzijnswerkers en medewerkers van woningcorporaties. “Dit noem je integrale wijkzorg”, legt Van den Bulck uit. “Het is goed om ook inwoners hierbij te betrekken. Want zij weten écht wat er leeft in de wijk. Alleen: hoe pak je dit aan?”
Met die vraag ging het LIME-onderzoeksteam aan de slag. Dit team bestond uit onderzoekers van het lectoraat Wijkgerichte Zorg van Zuyd Hogeschool en onderzoekers van de Academische Werkplaats Duurzame Zorg van de Universiteit Maastricht. Elissen en Van den Bulck vertegenwoordigden de UM, samen met promovendus Joana Schraft. Elissen: “We hebben tijdens het onderzoek gekeken naar integrale wijkzorg in Nederland en Vlaanderen. Daarbij hebben we ons beperkt tot initiatieven die wetenschappelijk onderzocht zijn. Uiteindelijk hebben we zes initiatieven geselecteerd. Die hebben we vervolgens geanalyseerd met behulp van bestaande theorieën over het vormgeven van integrale zorg. Daarnaast hebben we allerlei wetenschappelijke publicaties en documenten en websites van die initiatieven doorgespit. Ook hebben we mensen die bij de verschillende initiatieven betrokken waren, geïnterviewd.”
Belangrijke elementen voor integrale wijkzorg
Uit het onderzoek bleek dat er niet één blauwdruk is voor een betere samenwerking in de wijk. Van den Bulck: “Wat in de ene wijk werkt, werkt niet automatisch in de andere wijk. Maar we kunnen wél een aantal belangrijke elementen voor integrale wijkzorg benoemen. Passende integrale wijkzorg begint bijvoorbeeld met een behoefteanalyse: wat heeft de wijk nodig? Daarnaast is het belangrijk om bepaalde sleutelfiguren in de wijk op te sporen en te betrekken bij je initiatief. Een van de geïnterviewden noemde zo’n sleutelfiguur de ‘burgemeester van de straat’, een persoon die iedereen kent en die precies weet wat er in de wijk speelt. Zo iemand is goud waard.’’ Elissen vult aan: “Daarbij hoort ook dat je hun tijd en ervaringskennis serieus waardeert, bijvoorbeeld met een passende vergoeding.”
Anne van den Bulck werkt als universitair docent bij de vakgroep Health Services Research en het Care and Public Health Research Institute (CAPHRI) van de Universiteit Maastricht. Daar doet ze binnen de Academische Werkplaats Duurzame Zorg (AWDZ) en de Academische Werkplaats Ouderenzorg Limburg (AWO-L) onderzoek op het gebied van passende zorg in de wijk. In haar onderzoek houdt Anne zich vooral bezig met vragen over de organisatie van wijkverpleging en integrale zorg in de wijk. Ze was een van de senior onderzoekers bij het LIME-project ‘Samen werk maken van gezonde wijken’.
*Lees meer over het LIME-programma en het LIME-project ‘Samen werk maken van gezonde wijken’
Verder blijkt uit de verschillende initiatieven dat 'verbindende actoren' een grote rol kunnen spelen. Elissen: “Dat zijn professionals die midden in de wijk staan en die voortdurend bezig zijn om de verschillende disciplines met elkaar en met inwoners te verbinden. Denk aan gebiedsregisseurs, buurtwerkers, welzijnswerkers of opbouwwerkers. Omdat zij de taal van de professionals én de inwoners spreken, zijn ze heel waardevol. Tot slot raden we aan om initiatieven voor integrale wijkzorg duurzaam te maken. Daarmee bedoel ik: zorg ervoor dat wat je opbouwt in de wijk, een vervolg krijgt - óf nog mooier - een onderdeel wordt van de voorzieningen binnen de wijk. Óók als de projectfinanciering stopt.”
Keuzewijzer
Het onderzoek leidde onder meer tot de Keuzewijzer ‘Beleving van de wijk’, iets waar Van den Bulck en Elissen erg trots op zijn. De Keuzewijzer geeft professionals handvatten om samen met inwoners ‘het verhaal van de wijk’ op te halen: een verzameling van ervaringen, waarden en ideeën over wat goed gaat in de wijk, wat beter kan en waar de krachten liggen. Zo’n wijkverhaal draagt bij aan gedeelde prioriteiten, die samen met bewoners zijn bepaald en die de basis vormen voor toekomstige wijkaanpakken, acties, interventies of beleid.
De Keuzewijzer bevat drie methodieken om het wijkverhaal op te halen:
- Foto-observatie, waarbij bewoners hun wijk vastleggen in beelden en vertellen wat hen raakt.
- Wijkwaardenkaart, waarbij gesprekken met inwoners worden gevoerd over wat zij belangrijk vinden.
- Positieve Gezondheid, waarbij gesprekken met inwoners worden gevoerd over gezondheid en welzijn.
Elissen: “Alle methodieken zijn wetenschappelijk onderbouwd en eerder in de praktijk toegepast. Met de Keuzewijzer kunnen professionals bepalen welke methodiek het beste bij hun wijk past. Het mooie is dat de methodieken inclusiviteit waarborgen. De foto-observatiemethodiek is bijvoorbeeld heel geschikt voor mensen in de wijk die niet kunnen lezen en schrijven. De Wijkwaardenkaart leent zich juist goed voor mensen die minder mobiel zijn.”
Enthousiaste reacties
Uit een pilot blijkt dat professionals erg enthousiast zijn over de methodieken en de Keuzewijzer. Van den Bulck: “Dat zit ’m deels in de variatie: voor elke wijk is er wel een passende methodiek. Daarnaast biedt de Keuzewijzer de professionals houvast, want ze weten dat deze methodieken zich in de praktijk hebben bewezen.” Elissen knikt instemmend: “Professionals hebben behoefte aan ondersteuning bij het ophalen van de wijkbeleving. Met de Keuzewijzer voorzien we daarin, want de professionals worden stapsgewijs begeleid. Dat vind ik het mooie aan ons onderzoek: we hebben niet alleen antwoord gegeven op een aantal kennisvragen, we hebben óók iets opgeleverd waar professionals écht iets aan hebben.”
Tekst: Martina Langeveld
Arianne Elissen is universitair hoofddocent in Population Health Management bij de Academische Werkplaats Duurzame Zorg en het Care and Public Health Research Institute (CAPHRI) van de Universiteit Maastricht. Haar onderzoek richt zich op de organisatie en verbetering van zorg voor mensen met complexe en chronische zorgbehoeften, met bijzondere aandacht voor integrale, persoonsgerichte zorg. Ze onderzoekt hoe zorg en ondersteuning beter kunnen worden afgestemd op verschillen tussen mensen en populaties. Ook kijkt ze hoe samenwerking tussen professionals, organisaties en sectoren daaraan kan bijdragen. Samen met dr. Erik van Rossum van Zuyd Hogeschool was zij projectleider van het LIME-project ‘Samen werk maken van gezonde wijken’.