Dierproeven

De Universiteit Maastricht doet toonaangevend onderzoek op het gebied van geneeskunde en gezondheidswetenschappen en geniet daarin nationaal en internationaal een goede reputatie. Voor dit onderzoek worden in sommige gevallen dierproeven ingezet. Het dierexperimenteel onderzoek bij de UM wordt uitgevoerd door de Faculty of Health, Medicine and Life Sciences (FHML) en de Faculty of Psychology and Neuroscience (FPN). De Centrale Proefdier Voorzieningen (CPV) biedt de faciliteiten om dit onderzoek uit te voeren. 

De Universiteit Maastricht is zich bewust van de ethische bezwaren rond wetenschappelijk onderzoek met proefdieren en past alleen dierexperimenteel onderzoek toe wanneer de wetenschappelijke noodzaak aangetoond is. Daarbij is het uitgangspunt dat dieren respectvol behandeld worden, dat gezocht wordt naar alternatieven, dat er zo min mogelijk dieren gebruikt worden en dat het ongerief voor de dieren zo klein mogelijk wordt gehouden (3V’s van vervanging, vermindering en verfijning).

Wet op dierproeven

Sinds december 2014 is in Nederland de nieuwe Wet op de dierproeven  van kracht. Het uitgangspunt van de wet is dat er geen dierproeven worden uitgevoerd tenzij er goede redenen zijn, en er geen mogelijkheden zijn om zonder proefdieren de gevraagde resultaten te behalen. Het doen van dierexperimenteel onderzoek is aan strenge regels gebonden. Alleen instellingen met een vergunning mogen dierproeven doen. In Nederland zijn dat met name universiteiten en andere onderzoekscentra. De UM houdt zich aan de Wet op de dierproeven en volgt de gedragscode van de Centrale Commissie Dierproeven  , alsmede de Code Openheid Dierproeven (COD)  . De COD is opgesteld om concreet invulling te geven aan de breed onderschreven opvatting in de maatschappij dat openheid over wetenschappelijk onderzoek met dieren wenselijk en noodzakelijk is.

Strenge richtlijnen

Om zeer zorgvuldig met dierproeven om te gaan, bestaan er strenge richtlijnen rondom deze onderzoeken. Voor elk afzonderlijk onderzoek is een vergunning nodig. Bij het proces van aanvragen van deze vergunning zijn meerdere partijen betrokken, zodat geborgd wordt dat alle afwegingen zorgvuldig plaatsvinden. Voor elk onderzoek waar proefdieren bij betrokken zijn wordt door de onderzoeker(s) een onderzoeksvoorstel ingediend dat aan een aantal voorwaarden moet voldoen. De Instantie voor Dierenwelzijn (IvD) controleert het voorstel en helpt de onderzoeker met de projectvergunnings-aanvraag. Deze aanvraag wordt door de gemandateerde vergunninghouder ingediend bij de Dier Experimenten Commissie (DEC). De DEC toetst de aanvraag en geeft advies aan de Centrale Commissie Dierproeven (CCD)  . De CCD verleent vervolgens de vergunning of wijst de aanvraag af. De CCD is het centrale orgaan dat in Nederland als enige bevoegd is om vergunningen voor dierproeven te verlenen.