Geef de universiteit ruimte voor valorisatie!

door: in Algemeen
Placeholder

In het Financieel Dagblad (28 november j.l.) pleitte Ton Wilthagen ervoor dat universiteiten kennis overtuigender naar de markt moeten brengen. Hij geeft daarbij een belangrijke oorzaak voor het gebrek aan ondernemerschap: onderzoekers worden namelijk niet afgerekend op ‘harde’ valorisatie indicatoren zoals aantal en inkomsten uit samenwerkingen, octrooien, licenties of opgerichte start-ups. In plaats daarvan worden ‘zachte’ indicatoren zoals toppublicaties meer gewaardeerd. 

Ik ben het eens met zijn constatering en dat beide vormen van valorisatie eigenlijk samen moeten en kunnen gaan. Er zijn ook andere redenen aan te wijzen waarom valorisatie nog onvoldoende van de grond komt. Zo hebben onderzoekers over het algemeen weinig kennis van- en ervaring met commercialisatie van onderzoek en krijgen ze vanuit hun organisatie onvoldoende ondersteuning om het te leren of geholpen te worden. Dit gebeurt door Technology Transfer Offices van universiteiten, maar deze zijn vaak onderbezet en hebben te weinig specifieke science business kennis in huis.

Ook buiten universiteiten is er een tekort aan deze science business experts: mensen met een wetenschappelijke achtergrond die carrière gemaakt hebben in het MKB of grootbedrijf en zo een brede wetenschappelijke- en zakelijke ervaring hebben opgebouwd. Ze staan aan de basis van -vaak meerdere- start-ups en zorgen ervoor dat die kunnen doorgroeien naar grotere bedrijven. In Amerika drijven hele bedrijfstakken zoals de biotech sector op deze serial entrepreneurs. Ze spelen een essentiële rol in de kenniseconomie als business developer, CEO of financier van start-ups.

Valorisatie is een lastige tak van sport. De afgelopen jaren zijn er belangrijke initiatieven gestart om het proces te verbeteren, zoals het door Economische Zaken gesubsidieerde Valorisatieprogramma. Hierin zijn landelijk 11 consortia rond universiteiten gevormd waarin onderwijs in ondernemerschap gestimuleerd wordt en fondsen beschikbaar gesteld worden voor octrooien, business plannen en start-ups. Ook heeft de overheid valorisatie, naast onderwijs en onderzoek, als derde kerntaak voor universiteiten gedefinieerd en zijn er met OC&W afspraken gemaakt om indicatoren te ontwikkelen.

We maken dus wel voortgang, maar er worden ook stappen terug gemaakt. Zo hebben organisaties zoals TIFN, STW en zelfs NWO en KWF (zie ook het Financieel Dagblad van 31 oktober j.l.) bedacht om een deel van het intellectueel eigendom, zoals octrooien, op te eisen. Dat betekent dat ze mede-eigenaar willen worden van octrooien die door universiteiten ingediend worden. Dit is een denkfout. Primair omdat deze instanties in het leven geroepen zijn om onderzoek te financieren, niet om het te vertalen in commerciële activiteiten. Die verantwoordelijkheid is door de overheid terecht bij universiteiten en universitair medische centra gelegd.

Daarnaast is het een illusie te denken dat er op korte termijn veel geld te verdienen valt met octrooien en licenties daarop. Octrooien worden namelijk aangevraagd om eventuele toekomstige producten te beschermen tegen kopiëren door concurrenten. Zo wordt gewaarborgd dat bedrijven dure ontwikkelingstrajecten financieren. Maar die ontwikkeling is ook risicovol en duurt lang. Derhalve is de kans klein dat er überhaupt ooit geld wordt verdiend met octrooien. Bij de meeste universiteiten zijn octrooifondsen niet kostendekkend, laat staan winstgevend. Maar als er al geld mee verdiend wordt hebben alle universiteiten regelingen getroffen om ervoor te zorgen dat inkomsten terugvloeien naar het onderzoek.

Tenslotte wordt het werk voor TTOs bemoeilijkt wanneer er meerdere eigenaren van octrooien zijn. Dit betekent namelijk simpelweg dat er meer partijen betrokken moeten worden bij de onderhandelingen over het in licentie geven ervan aan bedrijven. Meer partijen betekent lastiger onderhandelen. En het zijn tenslotte bedrijven die octrooien nodig hebben om hun producten te ontwikkelen en de kennis naar de markt te brengen. Dat gebeurt niet door de universiteit en zeker niet door de hierboven genoemde organisaties. Gedeeld eigenaarschap betekent per saldo een kleinere slagingskans dat kennis vertaald wordt in producten. Dat kan niet de bedoeling zijn.

Universiteiten moeten effectiever en efficiënter worden in het vermarkten van hun kennis. Die taak is hen door de overheid terecht opgedragen. Maar geef hen dan ook de ruimte om dat te doen en creëer zo min mogelijk red tape zoals het opeisen van intellectueel eigendom.